Loden jas (8).

Voetbal. Heerlijk! Ik droomde voetbal. En fietste hard omdat ik daar nog meer conditie van kreeg en afstanden kon overbruggen die te voet onmogelijk waren. Ik zat in het spelregelteam en wilde winnen, mijn benen stonden niet stil. Op de pedalen en op het veld. Ik wilde mijn lichaam hard als staal maken. Sterk worden. Liep een dubbele beenbreuk op tijdens het afsluitende partijtje na de training. Ik zou en moest die bal hebben! Toen ik na het ziekenhuis thuis kwam en het eten rook draaide mijn maag zich om. We aten die avond erwtensoep en pannenkoeken. Mijn favoriete gerecht. Jarenlang at ik het niet en kreeg kippenvel bij alleen al de gedachte aan dat eten. Met mijn gebroken been zat ik zes weken thuis. Van de lies tot aan de tenen ingepakt in het gips. Slechts een klasgenootje kwam op bezoek. Alleen zij gaf mij echte aandacht. Het jaarlijkse penaltytoernooi bij onze vereniging met Jan van Beveren was het hoogtepunt van het jaar. Dat miste ik dat jaar ook. Hij was toen de keeper van PSV. Hij was groot. Helemaal in het rood. Een beer van een kerel. Een atleet. Een echte! Hij stopte alles. We gingen met groepen naar wedstrijden van PSV kijken. Wauw, wat een stadion! Het jeugdvak. Naar PSV-Hamburger SV. Met mijn peetoom naar VVV in de Koel. Dicht bij huis. Onze profclub. Het waren mijn clubs. Voetbal was hoop. Fietsen werden gesloopt en ik sloopte andermans fiets. Een krom stuur was alles wat mogelijk was. Ik spurtte naar het sportpark en terug. Hard! De toernooien met het team en dan naar andere dorpen gaan. Het liefste op de fiets. En anders met de auto waarbij ik nooit bij bepaalde ouders in hun auto mocht zitten. En naar de Heksenberg in Heerlen met een veld waar de bal vanzelf de heuvel afrolde. Voor mij waren het mini-vakanties. Want op vakantie gingen wij niet. Wij bleven thuis. Slechts één keer mocht ik met een selectie mee naar een toernooi. Het was vanuit school. Eén helft duurde het avontuur voor mij. De kaars begon te doven. Nederland verloor de WK finale tegen die kut-Argentijnen in 1978 en ik was heel verdrietig. Dagenlang was ik niet te genieten. Toen na tien jaar voetbal mij niet de plek kon bieden waar ik mij gewaardeerd voelde en mezelf mocht zijn begon de liefde af te sterven. Toen de brommer kwam verwaterde het langzaamaan. Ik veranderde. Zegde een paar keer mijn lidmaatschap bijna op. De testosteron zette mijn onmacht om in woede. Een ploeggenoot werkte ik hardhandig tegen de muur van het kleedlokaal toen hij bleef stangen. Mijn voetbalschoen vloog uit na een duel. De scheids die mij vroeg buiten het veld de schoen aan te trekken kreeg de schoen naar zijn hoofd geslingerd. Ik vertrok vloekend en tierend. Zonder te douchen. Niet veel later gooide ik de handdoek in de ring. Voetbal had voorgoed zijn glans verloren. Nederland werd jaren later Europees kampioen en ik was aan het werk. Mijn voetballende leeftijdsgenoten dronken bier en vierden uitbundig feest. Ik walgde er van. Van bier en die verschrikkelijke voetbalcultuur.  

Share

Loden jas (7).

De teams waarin ik speelde werden een aantal keren kampioen. Ik stond rechtsbuiten en was een fysieke voetballer. Niet gezegend met virtuoze techniek. Hard voor mezelf, mijn teamgenoten en de tegenstander. Een groot uithoudingsvermogen en ik speelde soms twee wedstrijden op een zaterdag. Eerst bij mijn eigen team en daarna bij een team dat een man tekort kwam. Ik was meedogenloos en bij vlagen gezegend met mooie acties, geniale voorzetten en een grote mond. Tegen alles en iedereen. Schijt aan wie het was of wat ze zijn. Dat interesseerde mij geen reet. Engels spraken we toen nog niet. Maar vandaag de dag zou een shirtsponsor met de naam ‘FUCK IT’ het beste de lading hebben gedekt.

Ik werd gelukkig van de geur van het gras vermengd met de rauwe geur van zwarte aarde. Wanneer je een sliding maakt en ik over het veld gleed, de sokken vies met zwarte vegen, de benen onder de modder, de witte broek zwart van de zooi. Het zweet dat langs mijn brillenglazen liep en ik nog minder zicht had. Ik moest en zou altijd winnen. En de rest moest dat van mij ook. Verliezen mocht niet. Dan ben je een sukkel! Een watje! Blijf dan thuis. Ga in de dug-out zitten of hou je waffel. Hier tussen de lijnen bepaal ik wat er gebeurd en je hebt te luisteren anders flikker je maar op! En ik scoorde gemakkelijk en best veel voor een karakterspeler. Maakte het mijn tegenstanders moeilijk en mijn teamgenoten soms onmogelijk om wat uit te halen. Ik wilde gezien en gewaardeerd worden. Tot zekere hoogte lukte dat. Maar ik sloeg door. Sloeg er soms bijna op. 

Op trainingen trok ik mijn mond vaak te ver open. Dan moest ik weer tien rondjes om het veld rennen. Weer straf! Weer buiten de groep gezet! Maar ik kreeg een bere-conditie van al dat rennen. Mijn benen waren bovengemiddeld ontwikkeld. Van staal. En ik voelde mij tijdens het rennen vaak zo vrij als een vogel. Het ging vanzelf en ik voelde geen weerstand. Wel naar de groep toe, de trainers en begeleiders. Twee trainers springen er uit. Met de eerste had ik een haat-liefde verhouding. Gerritje. Hij was net zo gedreven als ik. Maar op een andere manier, en hij kon mij ook niet aan. Zelf was hij af en toe ook ongrijpbaar voor volwassenen. Tegelijkertijd heb ik ook veel met gelachen. Dat was mooi. Het kon en hij liet dat toe. Een paar jaar eerder was er trainer Jack. Rust en gedrevenheid in zijn doen en laten. Een zuiderling en een man die de schaar zo stijlvol uitvoerde alsof het een dans was. Dat maakte indruk op mij. Hij verhuisde met zijn gezin en ging weg. 

Share

Loden jas (6).

Het waren voor mij vreemde tijden begin jaren tachtig op het platteland van Noord-Limburg. De overgang naar de middelbare school was voor mij een tijd vol onzekerheid. Ik was niet klaar voor de ‘grote school’. Mijn wereld mocht gerust klein blijven maar dat had ik zelf niet zo in de gaten en ook niet in de hand. Mijn tienertijd begon maar wat moest ik er mee? Mijn gedrag riep bij anderen steeds meer weerstand op. Veilig voelde ik mij zelden of nooit. Op school hield ik mij staande door te overschreeuwen. Op voetbal en in het volleybalveld deed ik hetzelfde. Aan mijn inzet op het veld lag het niet. Daar kon ik mijn lichaam laten werken en was direct zichtbaar wat ik in huis had. Mijn moeder was gedreven om aan iedereen het tegendeel te laten zien. Dat er wel een goed mens in mij steekt die de moeite waard is om gezien te worden, waardering te krijgen en er bij te horen. Die ook goede eigenschappen heeft en een kans verdient. Dat deed ze door een ‘keet’ te regelen achter in onze tuin. Door mij met de jeugdcarnaval deel te laten uitmaken van de jeugdraad en ik was ook jeugdprins met carnaval. Samen met buurman Piet. De was prins bij de grote mensen. Mam hielp mij mee met het schooltheater. En ze stond heel vaak aan het voetbalveld mij aan te moedigen. Dan nam ze toeters mee en liet van zich horen. Ons team had een heuse fanclub in haar persoon en ze schreef de verslagen voor ‘Het Klokje’. Het plaatselijke suffertje met het nieuws uit het dorp. Ik herinner mij nog een keer een feestweek van de voetbalclub waarin zij als prominente dorpeling gevraagd werd om in een panel zitting te nemen. Mijn ouders waren bekend. Mijn vader niet. Die was altijd werken. Weg met de vrachtwagen. En route! Mam was wel bekend. Met haar Brabantse directheid, haar eigen mening en daadkracht viel ze op. En dat was interessant. Bijna exotisch. Het was een dorpse kopie van een populair show op tv. Ik mocht er niet bij zijn. Het was het avondprogramma. Toch sloop ik het huis uit en via de zandweg achter de feesttent kon ik meeluisteren. Toen werd er een vraag aan haar gesteld over relaties en wat mijn moeder mij toewenst als ik later volwassen ben. Haar uitspraak bracht de rumoerige boerse zaal tot zwijgen. Het werd muisstil. Je hoorde de spelden vallen. Ik heb liever dat mijn zoon gelukkig is met een pikzwarte negerin die zielsveel om hem geeft en waar hij zichzelf mag zijn dan dat hij ongelukkig is met een boerenmeid die niet van hem houdt. Uppercut. Knock-out! Daar konden de zeikerds het mee doen. De presentator werd er ook stil van. Ik zweefde naar huis. Trots op mijn moeder die haar mannetje stond. Mijn loden jas werd lichter

Share

Loden jas (5).

Het was niet vreemd dat mensen fel op mij reageerden. Ik was in de ogen van velen een eikel. Echt onhandelbaar. Een enfant terrible, een doerak, een losgeslagen rebel, halve zool, rijp voor de LOM-school. Dat heeft die van Seijkens gedaan, die van de Veestraat. Dat waren de uitspraken van de burgerij en de boeren in het dorp. Dat was hun mening. Niet gestoeld op kennis van zaken. Het was actie, reactie. En ik moest mij nog meer staande zien te houden want de volwassenen waren zonder mededogen. En de kinderen namen dat gedrag over. Ook al was ik niet in de buurt geweest, dan nog werd ik als dader aangewezen.

Vreemd…voor een dorpje waar begin jaren zeventig hippie popfestivals werden georganiseerd waren de inwoners nog alles behalve tolerant en vrije geesten. Ik begreep er geen zak van.

Ik ontken niet dat ik geen rotzooi heb veroorzaakt. En dan heb ik het niet over belletje trekken. In kippenhokken eieren jatten en die gebruiken als granaten in een verzonnen ‘oorlog’ was kinderspel. En ja, ik was geen brave. Dat neemt niet weg dat er veel meer stoute jongetjes rondliepen. Ik was niet de enige! Spelcomputers waren er niet. Wij speelden in de natuur, op straat, fietsten rond met een voetbal onder de snelbinders, verkleden ons als soldaten en speelden oorlogje in bossen in kleding van de dump. Groeven ondergrondse hutten en legden daar boomstammen overheen. Verlichten die met kaarsen. Jatten snoep en sigaretjes, dronken stiekem bier dat we weghaalden in de oefenruimte van een band. Liepen met bijlen en zagen door het bos, met zakmessen op zak, veldflessen met water en vochten en speelden met ‘bendes’ van andere dorpen en buurtschappen. Woensdag en zaterdag doorbrak de sleur. Dan was er nog meer tijd te doden. Woensdagmiddag vrij en ‘s avonds voetbaltraining. Zaterdags de voetbalwedstrijd. Voor mij waren dat de hoogtepunten in de week. Dan was er duidelijkheid, regels, een doel en moesten we samenwerken. Zelfs daar was het lastig. Ook daar werkte de sociale structuur tegen mij. De lichtpunten waren door volwassenen die het beste met mij voorhadden. Het was toen al te laat voor mij.

Het was de overgang van de zachte jaren 70 naar de verhardende jaren 80. Van punk, hardrock, kernraketten, een toename van de werkloosheid en de import die het dorp als forenzendorp gebruikte. De emancipatie in het onderwijs en pedagogische vernieuwing was ver weg.

We sloegen er op los en vroegen ons later, of helemaal niet, af wat er aan de hand was. Zo deden de ouderen het en de jongeren deden dat na. En ik verharde mee.

Share

Loden jas (4).

Met gym, opstellen schrijven, spreekbeurten geven en de kennis over geschiedenis was ik ze de baas. Daar was ik goed in en het waren de vakken waar ik altijd plezier aan heb beleefd. Dan zweefde ik. En dat zweven streefde ik ook na als school uit was. Bij alles wat ik deed zocht ik de euforie van vrijheid, onafhankelijkheid en erkenning. Ook thuis.

Dat ging zo door op de middelbare school. In hetzelfde rotdorp. Mijn ouders wilden er gaan wonen. En dat was wel te begrijpen. Achteraf wel. Een prachtige omgeving en het verlangen naar vrijheid heb ik niet van vreemden. Die vonden zij daar ook. Ik was doodongelukkig dat het de derde school op een rij was waar ik heen moest gaan en niet vijftien kilometer verderop. Naar Horst of Venray. Waarom mag ik daar niet heen? Ze kennen me daar. De leraren van de lagere school zijn vrienden van de leraren op de middelbare school. Die klootzakken houden elkaar de hand boven de kop, het zijn dezelfde eikels en ze hebben mij al veroordeeld. Die moeten mij niet! Ik wil weg hier en ook niet met die kloot-jongens op school zitten! Dagenlang was ik verdrietig. Huilend lag ik op mijn kamer. De zin om daar heen te gaan was nul! De spanning liep op. De dreiging van vechten was ik toen al beu. Want op die middelbare school zou ik knakkers tegen komen uit andere dorpen waar ik ook mee op de vuist was gegaan of die mij te pakken hadden gekregen tijdens mijn omzwervingen door de natuur. En als dat niet was geweest kenden ze mij via via en was de toon gezet. Tot die tijd had ik nog nooit een grote overwinning behaald die mij onaantastbaar maakte. Want dat dacht ik nodig te hebben. Ik wilde mezelf kunnen zijn en in vrijheid leven. Het open karakter van de natuur hield mij staande en gelukkig gaven mijn ouders mij de ruimte om mij uit te leven. Ondanks de ruimte en de frisse lucht op het platteland was het klein en ontnam het mij de adem. Het was verstikkend!

Share

Loden jas (3)

Op de lagere school was het een jojo’en van bijna gezien worden, onbegrip, acceptatie, pakken rammel, slaag krijgen en ontvangen, hard rennen, tegenzin en remmingen op mijn denkwereld. In mijn geheugen heb ik elke dag gevochten. Met een select gezelschap. De vechtersbazen. De alfa jongens van de hogere klassen aasden op een in hun ogen makkelijke buit maar daar liet ik mij niet door klein krijgen. Wat zeg je? Knal! Daar vlogen de vuisten naar de kaken. Ik sloeg er op en kreeg er vaak van langs. Daar bovenop vierden de leraren zich bot op mij. Klappen tegen mijn wang of hoofd, haren werden uit mijn hoofd getrokken, oren geranseld, een trap onder mijn kont, van dat geniepige knijpen in mijn arm, aan de oren worden getrokken. Vernederd worden door openlijk in de klas te kakken te worden gezet door de leraren. De gang op, in de hoek, het schoolplein vegen, nablijven, strafwerk meekrijgen. De lagere school was voor mij een hel. 

Een uitzondering was die keer dat ik na onderzoek in de aardrijkskunde boeken op zoek ging naar stenen werktuigen uit de prehistorie. Ik wist op welke velden een grote kans op een vondst mogelijk was en vond meteen een vuurstenen schraper. Een leraar die dit voor de hobby deed geloofde mij niet, het zal ook eens een keer wel, en die heb ik de schraper geschonken. Ik wilde gezien worden en mijn gelijk halen. Boven de azijnzeikerds en beterweters staan en juist delen en verbinden. Dus kreeg hij de schraper. Na de eerste verbazing kon er gelukkig nog net een dank je wel van af. Maar binnen mogen komen en warm ontvangen worden zat er niet in. Dezelfde leraar sloeg er eerder vaak op los en trapte mij eerder zo hard onder mijn kont dat ik er een dag niet op kon zitten. Na de schenking werd hij milder.

Share

Loden jas (2)

Het eerste was het gevoel dat op kwam zetten was er een van ‘er niet bij horen’. Dat wilde ik wel maar kon ik niet. Kinderen en volwassenen waren hetzelfde. En ze liepen in dezelfde pas. Zo kwamen ze op mij over. Want dat meelopen deed, in mijn beleving, iedereen daar. In de pas lopen en vooral niet afwijken. Want dat kunnen wij niet aan. Jij met je streken en andere gedachten. Vragen waar wij geen antwoord op kunnen geven. Je tegendraadse gedrag en onvoorspelbare reacties. 

Vanaf mijn eerste herinnering komt bij mij naar boven dat ik niet in het gareel liep. Op de kleuterschool al konden de juffrouwen mij niet aan en plaatsten mij over naar een andere groep. Ze zette mij op de gang en ik kroop onder de raam van de deur van het klaslokaal over de grond naar de voordeur en liep weg. Terug naar huis. Bekijk het maar. Als jij mij niet goed genoeg vind ga ik mijn eigen weg en daar heb ik de juffrouwen niet bij nodig. Ik ga naar huis!

En die ene keer dat ik ruzie kreeg met een jongen op de speelplaats en ik de schop waar we in de zandbak mee groeven in het zand naar zijn hoofd gooide en hij een jaap van een snee in zijn voorhoofd kreeg. Het bloed liep over zijn gezicht. Daar vroeg hij om. Dat was zijn eigen schuld. Vond ik. Maar de jongen kreeg troost en ik kreeg straf en niemand luisterde naar mijn verhaal. Terwijl er wel iets aan vooraf was gegaan. Dat deed niet meer ter zake. Ik was fout en stout. ‘Stout Corke!’

Share

Ja. Het was COVID.

Na een lange periode met ziekte en tegenslag bleef de vraag naar boven komen of COVID mij te pakken had gekregen in februari van dit jaar. Een telefoontje met de assistente van de huisarts en heel veel overredingskracht leverde een doorverwijzing op voor onderzoek naar antistoffen. Dezelfde dag een afspraak gemaakt en er was die middag plek.

‘Bij jou heb ik geen band nodig. Die liggen er mooi op zeg.’ De naald ging zacht naar binnen. De buisjes vulden zich. 

‘Dat klopt. Over de aders op mijn armen hoor je mij niet klagen. Even knijpen en hopplaa!’

Toen ze de naald er uit trok voelde het vervelend. Vier dagen lang zat er een dikke bult aan de binnenkant van mijn arm. Ze was op zijn zachtst gezegd, een beetje onhandig, op dat vlak. 

Twee dagen later kreeg ik de uitslag. 

De assistente: ‘Je hebt het goed ingeschat Cor. Er zijn antistoffen tegen COVID in je bloed aangetroffen dus je hebt het honderd procent zeker gehad en dat verklaard je ziekte begin dit jaar. Dat neemt niet weg dat je het alsnog weer op kan lopen. Het is geen garantie tegen immuniteit.’ 

Een opluchting. Er spookten lange tijd gedachten door mijn hoofd dat het geen COVID was maar een ander virus, of een samenloop van omstandigheden die mijn nekten. Nu was het dat ook wel. Maar toch. Het liet mij niet los. Pas toen we thuis bespraken om bloeddonor te worden kwam de wil tot weten. Vervolgens werd het door mij via de app gedeeld met de mensen die de afgelopen maanden met mij mee hebben geleefd, belangstelling toonden voor mij zorgden en contact onderhielden. 

Mijn moeder zei toen ze het hoorde: Dan heb ik het ook gehad. Zeker weten. En Ellen ook! 

Misschien…het zou best wel eens kunnen mam. Alleen. Met een bloedonderzoek weet je het zeker. Zelf voor dokter of specialist spelen heeft niet mijn voorkeur. Dat is niet mijn vakgebied. Het invullen van iets werkt alleen bij een formulier waarbij je gegevens op schrijft.

Dat klopt jongen. Ik ga het eens bespreken met mijn huisarts. Maar ik heb het wel gehad hoor. Man wat was ik ziek! Weet je nog?

Klopt mam. Gelukkig ben je weer beter. En ben je er nog. Let goed op jezelf. Met kerst komen we op bezoek. Alleen zitten met die dagen vinden wij niets.

Maar ik kan goed alleen zijn hoor. Dat vind ik heerlijk.

Ja. Alleen, wij zijn er ook nog. Wij zijn graag bij je. Hald dich mam en tot gauw!

Share

Loden jas.

Deel 1 

Een loden jas of een blok om mijn nek. Zo voelde mijn verste verleden de laatste tijd. Of noemde ik het al langer zo en hoorde ik het mij zelf niet zeggen? Of drong het soms niet tot mij door? Gek eigenlijk dat nu het besef pas komt dat het zwaar voelde.

En naarmate de tijd vorderde bleken het meerdere jassen en blokken te zijn. Een blokkendoos, eerder een blokkade, en een garderobe waar mijn verleden in hangt en staat te verstoffen. Althans, zo ervoer ik dat. Het was oud en in onbruik geraakt want het had geen functie in mijn dagelijks leven. Tenminste, dat dacht ik. Dat meende ik te voelen. Toen kwam het opzetten en werd het springlevend terwijl het volledig uit beeld was.

Dus ging ik terug in de tijd. Want daar ging ik iedere keer heen in mijn gedachten. Naar vroeger. Naar mijn jeugd. Naar mijn kleine dorp en zijn ruim duizend inwoners. Een boerendorp. Ik ging in gedachten terug naar ons huis aan de zandweg. Met rondom weien, akkers, bossen. De zon zag ik opkomen en ondergaan vanuit ons huis. Wij waren ‘buitenlui’. Geen originele dorpsbewoners maar wel uit de regio. Maar dat maakte niet uit voor de rest. Ik ben in mijn geheugen gaan graven en probeerde mijn vroegste herinnering naar boven te halen. Een gebeurtenis kon ik niet vinden maar ik ontdekte wel wat anders. En toen begon het te komen. Mijn angsten kwamen weer tot leven en verdrongen herinneringen plopten in mij op. Steeds sneller en meer. 

Share

Alle begin is moeilijk.

En dus nam ik de tijd om mezelf te herpakken. Ik realiseerde mij dat ik niet goed voor mezelf zorgde. Te veel stress en negatieve energie die ik binnen liet komen, ik gaf mijn grenzen onvoldoende aan. Zei te snel ‘ja’ en te lang geen ‘nee’ tegen zaken die mij geen energie gaven. Dat holde mij uit. Ik kreeg een virus onder de leden, ging door, en door en door totdat ik leeg was. Terwijl ik mij jaren eerder voorgenomen had dat niet meer mee te willen maken. Leeglopen zou mij niet meer overkomen. Het gebeurde echter wel. Ik stond er bij en keer er naar. En ik had niets in de gaten.

Het herpakken begon met het verbeteren van mijn conditie. Dat werkte in het verleden ook altijd en zou mij nu ook weer gaan helpen. Slapen lukte nog steeds hartstikke goed. Bewegen minder. Dus ik begon letterlijk in het klein en hield mijn wereld klein om het overzicht te behouden. Ik ging alleen met mijn trouwe zwarte labrador wandelen in het bos. Nam de tijd en keek om me heen. Maakte foto’s van een bloemen, een insecten, de lucht, de hond. Nam vitamine D. Ging elke week naar manuele therapie en voor het eerst sinds jaren zonnebaden in de hangmat. Slapen en ontspannen in de zon, luieren en lummelen. Het was ineens een verrijking en stond niet gelijk aan niets doen. Terwijl ik weet dat niets doen heel goed voor mij is. Alweer een confrontatie. Want ondanks dat ik weet dat ontspannen en niets doen goed is het deed ik er te weinig mee. Ik zorgde dus blijkbaar niet goed voor mezelf. Ik weet het maar doe het niet! Wat ik daar aan heb gedaan komt later in één van mijn blogs aan bod.

De bewustwording dat ik het weet en niet doe opende mijn ogen nog meer. Ik begon te doen wat ik weet. Het mooie daarvan was dat de schoonheid van nabijheid weer in mijn leven kwam. Ik zag letterlijk het mooie om mij heen weer en genoot van de zon die scheen, een koolmees in de tuin, een merel die vinnig sjilpte, goede koffie, muziek, mijn lief, aandacht van anderen. Voorzichtig werden er weer rondjes op de racefiets gefietst. De conditie kwam langzaam terug. Dat werd vervolgens door mij gemaild naar mensen die vroegen hoe het met mij ging. “Het gaat langzaamaan weer wat beter. Het houdt niet over. Maar het gaat bergop.” . Het delen met anderen dat het beter met mij ging deed me goed. Ik besefte mij niet alleen dat er vooruitgang in zat. Ik durfde het ook te delen en er voor uit te komen. Dat was een opluchting want door het te delen was ik bezig met mezelf en hoe ik mij voelde. Een terugval mocht er zelfs zijn. Ik voelde dat mijn fysieke conditie toenam. Maar mijn mentale conditie liep er op achter. Ik had last van mijn mentale wonden. Die bleven zeuren. Daar veranderde mijn houding niets aan. Dat kwam hard aan. Ik wist in eerste instantie niet waar het vandaan kwam. Pas toen ik mij realiseerde dat het verleden mij inhaalde werd ik bewust van de oude pijn. Die lag als een loden jas om mijn schouders. En dat is gevaarlijk. Zeker als je wil veranderen en afscheid wil nemen van gedrag, gewoontes en gedachten die je belemmeren. Dan bestaat de kans dat mijn verleden mijn heden en toekomst te veel beïnvloed. En dat wil ik niet meer. Ik realiseerde mij dat ik het verleden niet kan veranderen. Andere mensen of hun gedrag kan ik ook niet kan veranderen. Ik kan er een mening over hebben, er met ze over in gesprek gaan, ze negeren. Zeg het maar. Maar het verleden of een ander verander ik niet. Waar ik wel invloed op heb is hoe ik zelf om ga met mijn verleden en de littekens die door mijzelf en anderen zijn toegebracht. Daar ben ik mij vervolgens ook op gaan richten. 

Share