De eerste!

Vorige week lag de brief op de deurmat. Op woensdag. Tijdens het werken stormt mijn vriendin de werkkamer binnen en houdt de brief met het blauwe logo van het RIVM voor mijn ogen. Wat ik al vermoedde wordt werkelijkheid. Ik mag gevaccineerd worden. In mijn hoofd hoor ik alle muziek en deuntjes van een overvolle kermis. Turboooo in de turboooo. Woeooeoeoei! Daar gaan we nog een keer. Hou je vast!

Binnen een kwartier is de afspraak in gepland. Op de zeventiende mei en de tweeëntwintigste juni gaat het gebeuren. Dat vliegen de micro chips in mijn lijf. Vanaf dat moment ben ik reddeloos verloren. Ga ik van afstand bestuurd worden door 5G gedreven monsterlijke mensen die mij willen manipuleren en veranderen in een levende machine. Ik krijg superkrachten. En kan zittend op de stadsfiets met 35 kilometer per uur de Cauberg op met een volle fietsmand trappist en twee tassen met boodschappen aan de bagagedrager. De auto in naar Italie. De Stelvio in een dikke vijfentwintig minuten op. Dan naar de Provence. De Triple Cingle van de Ventoux haal ik voor mijn ontbijt. Sterker nog, voor het avondeten ben ik ‘m zes keer opgefietst en voor de eerste fles pastice open gaat maar ik de tien vol. Wie doet mij wat. De “Jour Avant” van de Tour de France doet zijn naam eer aan want ik fiets de hele toer in één dag. Op maandag heej, net na het weekend! Dinsdag Parijs-Roubaix, kasseien afstoffen en opvreten. Effe naar huis en woensdag de Ronde van het Rutselbos en acht keer de Acht van Chaam. Donderdag terug in Italië en de Giro d’Italia inclusief twee keer de Mortirolo, door naar de Toscane en vrijdag de Strade Bianche van de mannen en vrouwen. Je weet wel. Die van de jongens voor de lunch en na een bordje pasta met Barolo ‘s middag de korte versie van de meisjes. Zaterdag zak ik af naar Spanje. De Vuelta in twee dagen. Rustig aan want in Pamplona wacht een stier die ik wil nekken! Maandag weer thuis en dan even rusten. Bijkomen van de opwinding. 

De euforie van verlossing en vrijheid verlichte mij. De afgelopen week telde ik de uren af. Nu, na de eerste prik duizelt het in mijn hoofd. Mijn bovenarm is stijf en gevoelig. Ik ben moe en wil slapen. De wereld is weer klein en komt naar mij toe. Ik zit buiten en ga schrijven. Even kijk ik op en als ik wil beginnen zit er een bij met pootjes vol stuifmeel op de cmd toets van het toetsenbord. Alsof de bij mij tot rust roept. Rustig aan Cor, er komt genoeg tijd om je dromen te verwezenlijken jongen. Dit is een nieuw begin. Wen er maar vast aan lieverd!

Share

Loden jas (12). Koud, nat, leeg en licht.

Ik zit op mijn stadsfiets, op weg naar mijn fietsenmaker. Even zwetsen. Het is tien over acht en ik ben het binnenzitten beu. Al dagen in een te kleine wereld. De zaak is toe. COVID dwingt ze om op acht uur te sluiten. Ik las vanochtend in de krant over de zoveelste machtsstrijd in een politieke partij en waar deze machtshebbers vandaan komen en snap dat ze alles op slot gooien. Afkomst en geloof maal de honger naar macht verlamt een hele samenleving. Ik haak af. Kan het niet snappen en mijn gedachten tollen van alle scenario’s die door mijn hoofd gieren. Dus fiets ik door. Zwaai naar mijn fietsenmakers en kies koers naar het centrum.

Het is nat en koud. Ik moest er uit. Naar buiten. Na dagen werken en binnen zitten werd ik rusteloos en horendol en dat stopte niet. De stad is leeg, nat, koud en vol licht. De tijd lijkt terug te lopen in plaats van vooruit. Ik waan me in een andere wereld. Normaal is het op vrijdagavond druk. Winkelend publiek rolt door de winkelstraten. Nu is het leeg. Zoals het voor de koopgekte was. Een stad zoals die er in de de jaren tachtig heel veel waren. Alleen in wereldsteden werd de straat verlicht met kleine lichtjes. Ik ga veertig jaar in de tijd terug. Al fietsend door het centrum van Oosterhout zie ik veel kleine lichtjes. Maar het raakt mij niet. In de etalage van een speelgoedwinkel staat een circus met poppetjes. Een circus. Zo voelt het af en toe dit jaar. Een grote voorstelling van verschillen. Op de markt staan de boomskeletten in lichterlaaie. Een grote kerstboom siert het plein. De kerk als decor. Sfeervol. Maar ik mis het leven. De mensen in de kroegen. De gezinnen met jengelende kinderen en de verveelde blikken. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dit is niet mijn vrijdagavond. En Oosterhout is sowieso niet mijn stad. Ik voel mij er na ruim negen jaar nog steeds niet thuis. En toch vind ik het jammer dat het ‘storp’ zo verlaten is. Het doet mij denken aan vroeger. Toen ik behoefte had aan leven en warmte maar in plaats daar van veel kilte tegen kwam en uit frustratie om mij heen een spoor van vernieling achter liet. Ik dwaal op de fiets en bewonder de vele lichtjes en fiets door naar de wijk waar mijn vriendin voor haar scheiding woonde. Zie de huizen, proef de sfeer en hunker naar een nieuwe plek voor ons samen. Een nieuw begin. De koud en nattigheid verstijft mijn handen. De straten zijn leeg en het asfalt en de klinkers blinken van het water, weerspiegelen het licht en de rust is verstikkend. Het is koud in de stad en ik ga naar huis. In de warmte van ons huis voel ik de aanwezigheid van mijn lief. Ik zoen haar, laat de hond uit, neem een warme douche, trek mijn zachte huispak aan, schenk een glas wijn in en tik deze woorden in via het toetsenbord.

Share

Ja. Het was COVID.

Na een lange periode met ziekte en tegenslag bleef de vraag naar boven komen of COVID mij te pakken had gekregen in februari van dit jaar. Een telefoontje met de assistente van de huisarts en heel veel overredingskracht leverde een doorverwijzing op voor onderzoek naar antistoffen. Dezelfde dag een afspraak gemaakt en er was die middag plek.

‘Bij jou heb ik geen band nodig. Die liggen er mooi op zeg.’ De naald ging zacht naar binnen. De buisjes vulden zich. 

‘Dat klopt. Over de aders op mijn armen hoor je mij niet klagen. Even knijpen en hopplaa!’

Toen ze de naald er uit trok voelde het vervelend. Vier dagen lang zat er een dikke bult aan de binnenkant van mijn arm. Ze was op zijn zachtst gezegd, een beetje onhandig, op dat vlak. 

Twee dagen later kreeg ik de uitslag. 

De assistente: ‘Je hebt het goed ingeschat Cor. Er zijn antistoffen tegen COVID in je bloed aangetroffen dus je hebt het honderd procent zeker gehad en dat verklaard je ziekte begin dit jaar. Dat neemt niet weg dat je het alsnog weer op kan lopen. Het is geen garantie tegen immuniteit.’ 

Een opluchting. Er spookten lange tijd gedachten door mijn hoofd dat het geen COVID was maar een ander virus, of een samenloop van omstandigheden die mijn nekten. Nu was het dat ook wel. Maar toch. Het liet mij niet los. Pas toen we thuis bespraken om bloeddonor te worden kwam de wil tot weten. Vervolgens werd het door mij via de app gedeeld met de mensen die de afgelopen maanden met mij mee hebben geleefd, belangstelling toonden voor mij zorgden en contact onderhielden. 

Mijn moeder zei toen ze het hoorde: Dan heb ik het ook gehad. Zeker weten. En Ellen ook! 

Misschien…het zou best wel eens kunnen mam. Alleen. Met een bloedonderzoek weet je het zeker. Zelf voor dokter of specialist spelen heeft niet mijn voorkeur. Dat is niet mijn vakgebied. Het invullen van iets werkt alleen bij een formulier waarbij je gegevens op schrijft.

Dat klopt jongen. Ik ga het eens bespreken met mijn huisarts. Maar ik heb het wel gehad hoor. Man wat was ik ziek! Weet je nog?

Klopt mam. Gelukkig ben je weer beter. En ben je er nog. Let goed op jezelf. Met kerst komen we op bezoek. Alleen zitten met die dagen vinden wij niets.

Maar ik kan goed alleen zijn hoor. Dat vind ik heerlijk.

Ja. Alleen, wij zijn er ook nog. Wij zijn graag bij je. Hald dich mam en tot gauw!

Share