Loden jas (17). Canvastas✌🏼

De opleiding was heftig. Niet fysiek, maar de overgang van burger naar militair wel. In de pas lopen was en is niet mijn sterkste kant. Marcheren wel. In de maat. Heerlijk dat geluid van het ritme. Met in gedachten een mars. Rijden in de Landrover ging mij goed af. Ik had al een paar rijlessen gehad in het burgerkleren. De LARO was gaaf. Het schieten met de uzi ook. Met de viertonner naar de Venlose hei en daar mochten we op de oude banen van het Duitse oorlogsvliegveld Fliegerhorst onze eerste schoten lossen. De geur van buskruit en zwavel associeer ik nog steeds met munitie en schieten. 

Het mooie aan die tijd is het feit dat ik daar voor het laatst in conflict kwam met ander ‘volk’. We sliepen in een kamer met acht stapelbedden. Zestien man op een kamer. Uit alle lagen van de bevolking. En ik lag het verste van de deur, aan de raam op het bovenste bed. Lekker in de luwte en in de rust. Een branieschopper uit de binnenlanden van Brabant wilde mij voor de zoveelste keer van mijn stapelbed trappen. Hij begon aan mijn bed te schudden en te trappen. Ik liet het eerder wel toe maar nu was ik het zat, sprong van mijn bed, greep hem bij zijn rechter onderarm, draaide die een halve slag naar buiten toe en met energie van dezelfde beweging trok ik zijn arm achter zijn rug waarbij ik mee bewoog, achter hem kwam staan en mijn linkerhand zich als een klem om zijn nek spande waardoor zijn adamsappel naar binnen werd gedrukt. Door het strak aanhalen van zijn arm wilde hij schreeuwen en verloor hij de macht over zijn benen. Mijn linkerhand hield zijn hoofd hoger en blokkeerde zijn stem. Hij hing zichzelf bijna op en kromp ineen van de pijn en rochelde iets onverstaanbaars. Ik sliste in zijn linkeroor. “Laat mij godverdomme met rust vuile klootzak. Als je dat nog een keer in je hoofd haalt breek ik je nek vuile rat! Begrepen? Afgesproken?” Hij knikte voorzover het nog mogelijk was en ik liet hem los. Hij draaide zich om als een danser die een pirouette maakt, herpakte zich en hapte naar adem. Een wilde blik en ik zag de twijfel in zijn ogen. Alsof hij mij alsnog wilde aanvallen. Maar hij bedacht zich en beende de kamer uit. Probleem opgelost. Ik sliep goed. Het was mij gelukt. Problemen opgelost. Het was mijn afscheid van geweld naar anderen toe. Hoe ironisch. In het leger.

Toen ik het op een avond zat was op de kazerne wilde ik de stad in. Alleen er even uit. Naar een kroeg. Kijken of ik oude bekenden tegen zou komen. Onderweg naar de poort zag ik een oude damesfiets staan. “Handig, ben ik snel mee op en neer.” Dus die leende ik om even de stad in te gaan. Makkelijk zat. Niets aan de hand. Bij terugkomst werd ik opgevangen door de wacht. ‘Van wie is die fiets?, vroegen ze. ‘Weet ik veel? Die stond hier en die zet ik nu weer terug. Hoie en fijne avond.”  ‘Dacht het niet, die is niet van jou en jij gaat met ons mee.” Shit, ik had de fiets ‘gejat’ van de officier van dienst. Maanden later moest ik vanuit Duitsland naar de militaire rechtbank in Arnhem. Een boete en een toespraak van de rechter die er niet om loog was alles. Wat was ik blij met de hulp van mijn dienstmaten en vaandrig van mijn parate eenheid. Een benaming die ze in het leger gebruiken na het afronden van de basisopleiding. Door hun kameraadschap, hulp en vertrouwen kon ik de zitting doorstaan en was ik goed voorbereid. Aan het einde van de rijopleiding had ik aangemeld als vrijwilliger om gestationeerd te worden bij de parate eenheid van het 42e Pantser infanterie bataljon van de Limburgse Jagers. En dat werd goedgekeurd! Jaaa. Wunderbar! Op de dag van de opkomst wisten ze niet waar ze mij onder moesten brengen. Het werd de Staf Staf Verzorgingscompagnie en bataljonsstaf. In een vrije rol als chauffeur. In het Noord Duitse gat Seedorf. Verder weg van Meerlo kon ik op dat moment niet zijn anders had ik dat gedaan. Het werden twaalf hele bijzondere maanden. ‘Geef acht!’ Hmmm, ja? En wat dan nog?

Share

Loden jas (16) Weg!

Sport was mijn uitlaatklep. Daarin kon ik de in mij opgekropte onmacht, woede en frustratie uiten. Mij fysiek ontladen en mentaal opladen. De gang naar het einde van mijn schooltijd was lang. De tol die mijn verzet eiste was zwaar. Het sporten in teamverband werd onmogelijk en mijn droom om aan atletiek en wielrennen te beginnen werden bij het delen in de kiem gesmoord door de beperkingen van de negorij ligging, het ontbreken van gevoel aan sportwaarde en de dreiging van scheuren. De eenzaamheid ging ik te lijf met hardlopen, dromen van triatlon en het kijken naar ‘Survival of the fittest’. Een tv programma waarin een extreme duurloop met hindernissen volbracht moest worden in de wildernis van Engeland. Al lang voordat de endurance of obstacle runs met marketing en lifestyle bombardementen werd opgelegd aan de ingezakte twintigers en dertigers die vergeten zijn hoe het is om buiten te sporten en vies te worden renden we al als opgejaagd groot wild door de bossen en velden. Dat was midden jaren tachtig in opkomst. En het trok aan mij. Weg van iedereen, alleen met mezelf en anders niets. Avonturieren en weg gaan. Uit de handen blijven van de beklemmende dwangbuis die de buigende burgerij zich door de elite met zijn verstikkende impliciete tirannie oplegde. De dreiging van een derde wereldoorlog met verwoestende kernkoppen hing nog steeds boven ons. De jeugdwerkeloosheid was groot, perspectief was er in mijn ogen niet meer. Ik zag geen enkel lichtpunt in en rondom mij. Vrienden had ik niet, de enkeling die dichterbij kwam hield ik op afstand. In de liefde was het bud! Hoe andere jongens het voor elkaar kregen om verkering te krijgen was mij een raadsel. Ik wilde weg! Weg uit het dorp. Weg van het verleden dat het heden niet kon veranderen. Al mijn vragen bleven onbeantwoord. Uit mijn mond gevallen voordat ik ze kon stellen. Niet eens een mond vol tanden. Mijn stem was fragiel en ik groeide in mijn drift om te vertrekken en nooit meer terug te keren. Ik walgde bij het zien van mijn leeftijdsgenoten die na het stappen met hun zatte kloten bij mij in de friettent kwam eten. Onbetrouwbaar en vals. Want ook daar aan de andere kant van de vitrine van de friettent bleven ze vals en achterbaks en lulden over mij en spraken niet met mij. Fuck it! 

Dus ik ging in dienst. Eerst naar de keuring in Roermond. Uit het hele land vanaf een jaar of 19. Toen ik aan een keuringsarts vroeg: “Ik zal wel bij de commando’s komen, toch?”, kreeg hij een glimlach rond zijn mond; “Reken er maar niet op jongeman. Droom maar verder!”. Het was ook om te lachen. En toen ik de oproep kreeg om mij op 1 maart 1988 te melden voor de rijopleiding op de Frederik Hendrikkazerne te Blerick sprong ik een gat in de lucht. Ja! Venlo. Ik kon niet dichterbij gelegerd worden en toch zo ver weg uit mijn dorp zijn. Met mijn groene Levi’s bomberjack, spijkerbroek, vetkuif en Dr. Martens rockte ik een nieuw hoofdstuk tegemoet. 

Naam? Seijkens. 

Maat? Schoenen 45, denk ik. De rest weet ik niet.

Pak aan. Dit zal wel passen.

Share

Loden jas (14) en hij wordt lichter.

Het waren rare tijden in 1986 en ‘87. Heftig, omdat er veel gebeurde. Ik moest aan mijn leerplicht voldoen, werkte hard en had geen vrienden meer. De brommer vrienden had ik gestald. Niet mee op vakantie mogen was een klap in mijn gezicht. De profiteurs, de gasten die meereden over mijn rug omdat ze zelf geen brommer hadden, had ik vaarwel gezegd. En met hun en alle anderen had ik gebroken. De ommekeer kwam toen ik door omstandigheden niet bij mijn vader, moeder en zusje was toen ze mij hard nodig hadden en nadat ik bij de kist van oma Venray stond. Zij was overleden en ik kon gelukkig naar de avondwake. Daar stond ik met mijn zeventien jaar oud. Ik zie me staan aan het voeteinde van de kist. Een zaaltje met indirecte verlichting. Die vanaf het plafond via een soort omgekeerde u-vormige lichtbak strijklicht naar beneden liet schijnen via de wanden van het mortuarium van het ziekenhuis. Om mij heen familie die bij met een scheef oog bekeken. Waar mijn ouders en zusje waren weet ik niet meer. Alleen met mijn gedachten stond ik daar en ik zag veel aan mij voorbij trekken. Al mijn streken, de familie, mijn verleden en het heden. Ik nam mij voor te breken met de eerder vertoonde gedragingen en een ander pad op te gaan. Een pad waar mijn ouders en familie trots op konden zijn. Daar die avond om zes uur koos ik letterlijk voor een andere weg. Ik was er vast van overtuigd dat het mij ging lukken. Daar heb ik de knop omgezet en gebroken met alle shit die ik kende en veroorzaakte. In de weken daarna werd ik liefdevol opgevangen door mijn ouders en Geert Gorree! Het waren de enigen die mij steunden en de kans gaven opnieuw te beginnen. Mijn ouders door er voor mij te zijn en me de rust en ruimte te geven mezelf te leren kennen.  Geert was er door mij aan te sporen iets te doen met de energie die vrij was gekomen. Ik was verraden, vernederd, vertrapt en als oud vuil aan de kant gezet. Geert en zijn vrouw Marian vonden dat mensonterend en onterecht. En wars van alle geruchten en de vieze smoezelige etterende vuile praat in het dorp en omstreken gaven zij mij het vertrouwen dat ik zo hard nodig had. Sterker nog. Zij boden mij een veilige omgeving en de vrijheid om te ontdooien. Geert gaf mij de opdracht om twee A-viertjes uit mijn hoofd te leren. Alleen de eerste zin weet ik nu na ruim 35 jaar nog.

“Onlangs vroeg men aan een bekende persoonlijkheid waarom zo weinig mensen slagen terwijl zo velen mensen op de wereld willen dat hun dromen werkelijkheid worden.”

Mijn focus werd verlegd en ik leerde mij te concentreren. Als ik binnen een maand de A-viertjes uit mijn hoofd leerde mocht ik bij hem blijven werken. Elke week kwam ik een stukje verder. Ik zat na het werk thuis bij het licht van de bureaulamp te lezen en liet zin voor zin binnen komen. Elke week overhoorde Geert mij. En elke week kwam ik een stap verder. Week na week. En bij week vier was ik er klaar voor. Alles stroomde er uit. Ik was geslaagd en mocht blijven. Dat gaf mij zo veel zelfvertrouwen en het besef dat ik keuzes durfde te maken en mijn besluiten waar kon maken. Geert, als volwassenen, had de weg voorbereid. Ik ben hem heel veel dank verschuldigd. Nog steeds kan ik er na al die jaren geëmotioneerd van worden als ik aan hem en Marian denk. Hij was mijn redder. Tegen alles in een voorbeeld voor Meerlo en de bekrompenheid die mij bijna de vernieling in had geholpen. Na Geert kwam de dienstplicht. Ik ging vervroegd in dienst. Mocht opkomen in maart 1988. Lichting: 88-2. Ik ging naar Blerick. Bij mijn geliefde Venlo De rijopleiding voor chauffeur Laro (Landrover). Daar in dienst ervoer ik voor het eerst in mijn leven wat kameraadschap betekend. 

Share

Tour Retour

Ziek thuis komen zitten bood mij de tijd om in alle rust te werken aan mijn herstel. Met het fysieke herstel kwam er ook mentale ruimte tot verwerking. Onverwacht en plotseling stonden er een aantal van mijn nare herinneringen om mij heen. Ze keken mij aan en daagden mij uit. De angsten voor ongewenst pijn en verdriet konden niet langer worden onderdrukt. Ergens ontstond er ruimte om ze er uit te laten ontsnappen. Een oud overlevingsmechanisme was over de datum. De eerste keer dat ik daar bewust van was kwam toen ik hardop sprak over de echte reden waarom ik de Tour de France ‘Jour avant’ wilde gaan fietsen. Met mijn lief zaten we een avond te filosoferen over ego, trots en geldingsdrang. Als donderslag bij heldere hemel kwam het besef binnen. 

De pijn en teleurstelling om niet te starten was groter dan de euforie om mee te doen. Toen pas drong het langzaam tot mij door. Het volbrengen van de bijna 3.800 kilometer in drie weken was niet voor mezelf. Het was voor anderen! Tuurlijk fiets je zoiets ook voor jezelf. Maar diep in mijn hart verborgen waren er andere redenen om dat te gaan doen. Die wuifde ik onbewust weg, negeerde ze, zette mijn blik op oneindig en had de volle aandacht voor de fiets, de fiets en anders niets. Focus, kiezen, doen maar dan verkeerd. Want ik dacht dat het moment rijp was om eindelijk te laten zien dat ik geen loser ben. Dat ik wel iets kan. Dat al die criticasters ongelijk hebben. Dat ik de moeite waard ben. De eigenlijke reden was dat ik wilde dat mijn kinderen trots op mij zouden zijn. De Tour fietsen is tenslotte een uitzonderlijke prestatie uit de categorie buitengewoon. Dat ik onze relatie zou kunnen laten opbloeien en mijn eigenwaarde zou kunnen vergroten door een grootse tocht te volbrengen. Hun met trots vervullen, ze laten stralen van vreugde. Want de eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik af en toe twijfel of ze wel weten wie ik ben en waar ik voor sta in het leven. Wat ik belangrijk vind en wat mijn normen en waarden zijn. Hoe ik mij dagelijks gedraag en wat mij kenmerkt. Daar ben ik onzeker over. De Tour fietsen zou dat veranderen. Stiekem hoopte ik ze dan aan te treffen in Parijs op de Champs Elysées met een grote fles champagne zonder glazen. We drinken uit de fles en proosten op het leven. Zoals vaders dat met grote kinderen doen! 

Uiteindelijk zie ik in dat het ging om de erkenning van anderen. Die had ik blijkbaar harder nodig dan de erkenning van mezelf. En laat dat nu net een weg zijn die niet leid tot verlichting en acceptatie. De echte erkenning zit in de mogelijkheid om mezelf te vergeven, te accepteren en te erkennen. Pas wanneer ik uit durf te komen voor wie ik ben, waar ik voor sta, hoe ik mijn talenten omarm en mijn tekortkomingen erken kom ik tot leven. En daar ben ik gelukkig mee begonnen. Mijn missie om de Tour de France te fietsen faalde destijds. Door het effect van die teleurstelling vielen blijkbaar mentale barricades weg. Dat bood ruimte om negatieve ervaringen uit het verleden te gaan herbeleven en een andere, vernieuwde en positievere plek te gaan geven. Terug naar de basis te gaan. Mijn leven trekt op dit moment aan mij voorbij. En mijn Tour is een hele andere geworden.

Share

Loden jas (13).

Op mijn Yamaha DT brommer of met lijn 29 van de Zuid-Ooster ging ik naar Venlo. De brommer koste benzine, het was kouder op dat ding en ik ging er niet mee omdat ik retezuinig was op mijn wit rode pronkstuk. Zo zuinig dat ik hem wel eens helemaal demonteerde om te poetsen en dan weer in elkaar zette. De maandkaart voor de bus werd betaald mijn ouders. Dus dat werd ‘m.

De Havo bracht mij voor het eerst in contact met leeftijdsgenoten die dat niveau minimaal aankonden. Op het Sint Thomascollege zaten slimme kinderen. En daar wilde ik graag bij horen. De sfeer was heel anders dan ik voorheen kende. Minder agressief en meer in balans. Op de Mavo kende ik een paar leraren goed en daar had ik een goede band mee. Hier leek het wel of er alleen maar toffe leraren waren. Een kantine, een intiem plein, een groot sportveld alsof het achter een villa lag. Kan kloppen want het was geloof ik ooit een klooster. Er zat een vervelend mannetje, die ik uit Horst kende, bij mij in de klas. En dan was er helaas weer een pestkop met twee meelopers in de klas. Tergende klojo. En slechts één leraar was een echte eikel. Ach ja…met uitspraken als: Jullie stomme koeien hebben nergens verstand van. Ga op de markt aan de dakgoot hangen en daar geluid maken. Onvoorstelbaar. Hij zat in de Provinciale Staten namens de CDA en bevooroordeelde de tergende klojo en verschafte hem de vrijbrief mij op de nek te zitten. De combinatie van staande zien te houden en de verlokkingen van de stad kon ik helaas niet weerstaan. Ik zwichtte voor de verleiding van het spijbelen en kende de binnenstad uit mijn hoofd. Alleen café ‘De gouden tijger’ was een enkele keer de plek waar ik heen durfde gaan. Ik was tenslotte de jongen van over de Maas. Toch een soort vreemdeling. Alweer een exoot. De tergende klojo zocht mij op. Bloed onder de nagels. Ik weet niet meer hoe het stopte en of het überhaupt stopte. En dat etterige gluiperige mannetje uit Horst heb ik daarna ook gelukkig nooit meer gezien. Want na een jaar was de havo gedaan. Over en uit. Te lage cijfers. Geen overgang naar Havo 5. Het lukte mij niet. Ik kreeg het niet voor mekaar. Toffe jongens en meiden in mijn klas. Fijne leraren. Veel complimenten van de leraar Nederlands over mijn schrijven. Maar resultaat ging voor relatie en met beiden had ik moeite. De overgang was te groot. Toch kijk ik met een goed gevoel terug op die tijd. Het was de eerste echte positieve schoolervaring in mijn leven. Ondanks domme acties, te laat komen, spijbelen, pesten en grote aanpassingsproblemen voelde ik mij er meer gewenst dan ooit tevoren. Ik was verdrietig dat het niet was gelukt om over te gaan. Mijn droom spatte uiteen. Ik had het gevoel dat ik het verprutst had, niets waard was en zag helemaal geen toekomstperspectief. Ik zie me thuis nog uitleg staan geven: Shit. Ik heb het verkloot pap en mam. Sorry, maar ik weet niet hoe dat kan? Ik weet het niet. Echt niet. Sorry. Achteraf realiseer ik mij dat er toen voor het eerst echt naar mij geluisterd werd. Conrector Hermans leefde echt met mij mee en probeerde mijn motivatie te stimuleren. Door vertrouwen te geven, een luisterend oor te bieden en begrip te tonen. Helaas was ik niet ontvankelijk voor zijn ondersteuning en bemoedigende woorden. Jaren later kwam ik hem tegen met de vastelaovend in Meerlo. Hij speelde in een joekskapel die daar op trad en was blij en opgelucht om te zien dat ik niet afgegleden was naar de criminaliteit en een vroege ondergang. 

Share

Welkom in mijn leven.

De afgelopen dagen kwam er veel op mij af. De blogs over mijn jeugd maakte veel los bij mijzelf en anderen. Hartverwarmend en confronterend. Want wat ik al mijn hele leven met mij mee draag heb ik met het naar buiten brengen ook deel laten uitmaken van het leven van anderen. Het staat online. Openbaar. En daarmee voor iedereen die het wil binnen handbereik. Die gewaarwording is zoals het moet zijn. Vroeger zou ik mij druk maken over wat anderen er van zouden vinden. En dan met name de negatieve reacties en de kritieken. Nu niet. De hobby analisten en ‘ogen’ mogen gerust hun gang gaan. Het zijn mijn verhalen. Door mij beleefd, jarenlang vastgehouden in mijn hart, hoofd en hele lijf. En met het verstrijken van de tijd wakkerde een zachte wind aan tot een storm die leidde tot een golf van opgekropte beleving die er uit moet. Alsof ik een deur open in een immens hotel en in plaats van één kamer vliegen alle kamers open! In mij schuilen heel veel verhalen. Het tolt er soms van in mijn hoofd. Ik ervaar ze en moet ze een klank geven door ze uit te schrijven. Wat jarenlang verstopt werd breekt zich nu een weg naar buiten. En het blijft maar komen. Het hek is van de dam en ik kan het niet meer stoppen. Wat jarenlang opgesloten zat in mijn binnenste komt er nu uit. Voor mij is het een zwaar bevochten vrijheid die ik omarm. En ondanks dat ik niet weet waar het toe zal leiden ga ik door. Ik ben de angst voor het verdriet aan het laten binnen komen. Laat maar komen. Ik moet er door heen. Er is geen ‘ja maar’ meer. Vroeger deed ik dat. Ik vocht en beet van mij af. Beter bijten dan gebeten worden. Geen ontwijken of verdedigingsmechanisme. Geen aangeleerd gedrag meer om mij staande te houden, gezien, geaccepteerd en getolereerd te worden. Geen aannames meer over verondersteld sociaal wenselijk gedrag, het behagen van anderen, niet uit de toon willen vallen. Geen angst meer voor een ontstemde autoriteit, werkgever, buurman, bekende of ‘vriend’ waardoor ik niet meer bij een groep hoor waar ik denk bij te moeten horen omdat ik anders denk alleen te staan. De pijn die al die slechte ervaringen heeft veroorzaakt ketende mij veel te lang. En dat wil ik niet meer!

Voor mij werkt het goed om mijn gedachten en gevoelens te uiten en te delen. Mijn integriteit is anderen deelgenoot uit te laten maken van wat er in mij omgaat en dat zij mijn leven respecteren in plaats van veroordelen. Verbinding te vinden vanuit acceptatie en compassie. Dan ben je welkom in mijn leven!

Share

Loden jas (12). Koud, nat, leeg en licht.

Ik zit op mijn stadsfiets, op weg naar mijn fietsenmaker. Even zwetsen. Het is tien over acht en ik ben het binnenzitten beu. Al dagen in een te kleine wereld. De zaak is toe. COVID dwingt ze om op acht uur te sluiten. Ik las vanochtend in de krant over de zoveelste machtsstrijd in een politieke partij en waar deze machtshebbers vandaan komen en snap dat ze alles op slot gooien. Afkomst en geloof maal de honger naar macht verlamt een hele samenleving. Ik haak af. Kan het niet snappen en mijn gedachten tollen van alle scenario’s die door mijn hoofd gieren. Dus fiets ik door. Zwaai naar mijn fietsenmakers en kies koers naar het centrum.

Het is nat en koud. Ik moest er uit. Naar buiten. Na dagen werken en binnen zitten werd ik rusteloos en horendol en dat stopte niet. De stad is leeg, nat, koud en vol licht. De tijd lijkt terug te lopen in plaats van vooruit. Ik waan me in een andere wereld. Normaal is het op vrijdagavond druk. Winkelend publiek rolt door de winkelstraten. Nu is het leeg. Zoals het voor de koopgekte was. Een stad zoals die er in de de jaren tachtig heel veel waren. Alleen in wereldsteden werd de straat verlicht met kleine lichtjes. Ik ga veertig jaar in de tijd terug. Al fietsend door het centrum van Oosterhout zie ik veel kleine lichtjes. Maar het raakt mij niet. In de etalage van een speelgoedwinkel staat een circus met poppetjes. Een circus. Zo voelt het af en toe dit jaar. Een grote voorstelling van verschillen. Op de markt staan de boomskeletten in lichterlaaie. Een grote kerstboom siert het plein. De kerk als decor. Sfeervol. Maar ik mis het leven. De mensen in de kroegen. De gezinnen met jengelende kinderen en de verveelde blikken. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dit is niet mijn vrijdagavond. En Oosterhout is sowieso niet mijn stad. Ik voel mij er na ruim negen jaar nog steeds niet thuis. En toch vind ik het jammer dat het ‘storp’ zo verlaten is. Het doet mij denken aan vroeger. Toen ik behoefte had aan leven en warmte maar in plaats daar van veel kilte tegen kwam en uit frustratie om mij heen een spoor van vernieling achter liet. Ik dwaal op de fiets en bewonder de vele lichtjes en fiets door naar de wijk waar mijn vriendin voor haar scheiding woonde. Zie de huizen, proef de sfeer en hunker naar een nieuwe plek voor ons samen. Een nieuw begin. De koud en nattigheid verstijft mijn handen. De straten zijn leeg en het asfalt en de klinkers blinken van het water, weerspiegelen het licht en de rust is verstikkend. Het is koud in de stad en ik ga naar huis. In de warmte van ons huis voel ik de aanwezigheid van mijn lief. Ik zoen haar, laat de hond uit, neem een warme douche, trek mijn zachte huispak aan, schenk een glas wijn in en tik deze woorden in via het toetsenbord.

Share

Loden jas (11).

Dus ging ik alleen verder. Ik reageerde mij af door veel te gaan rennen. Zo noemen we dat bij ons. Rennen staat voor hardlopen. Want ik moest wat doen om mijn energie kwijt te raken. Ik danste in de oude keet. Probeerde gitaar te leren spelen. Schreef mijn frustraties van mij af. Ging naar de jongeren sociëteiten in Venray, Horst, Sevenum, Lottum, Meerlo, Venlo die toen nog druk bezocht werden op het platteland van Noord-Limburg. Voor het eerst ervoer ik wat verliefd zijn met mij kon doen. Op de mavo was ik verliefd geworden op een meid die zo mooi was dat ik haar niet eens aan durfde te kijken. De paar keer dat ze iets tegen mij zei sloeg ik volledig dicht. De volgende was een prachtige meid die toetsenist was in een wave-band. De nicht van een dorpsgenoot. Via hem hoorde ik dat ze mij had gezien. Met mijn vetkuif en extravagante kleding viel ik op en dat was interessant. En voor mijn gevoel scheelde het niet veel of we hadden verkering. Ik was te verlegen om om ‘door te pakken’. De negatieve ervaringen uit het verleden blokkeerden mijn gevoel. Daar durfde ik niet bij te komen. Dus vroeg ik haar niet uit. Bang om afgewezen te worden. We spraken elkaar wel. Ik ging naar haar optredens kijken in Walhalla en andere plekken en zag oudere jongens om haar heen draaien. Mijn maag draaide zich om. De angst had mij verlamd. Inge en ik kregen helaas geen verkering. Zouden wij? Had zij? Helaas ben ik haar uit het oog verloren.

De voetbalclub ❌ De volleybalclub❌ De keet❌ De soos❌ School❌ De Havo werd het weer niet❌. Wel een school voor detailhandel. In Venlo✅. Eindelijk weg uit het dorp en naar de grote mensenwereld✅. Want voor mij was Venlo echt groot, werelds en de poort naar een leven waar ik naar verlangde✅. Weg uit het benauwende dorp waar iedereen mij kende en bij voorbaat al veroordeelde✅. Een nieuwe kans en wie weet kon ik toch nog naar de Havo want in Venlo waren en een paar en kenden ze mij niet✅

Ik vond de stad geweldig. Ging ook daar veel naar de bibliotheek in schooltijd. Zat uren bij Sounds muziek te ontdekken, keek mijn ogen uit op de Maaskade met de sexshops, drugshandelaren, zwervers en alcoholisten, zwierf door de stad of fietste door de omgeving, over de hei, naar Velden, Belfeld en zat te mijmeren aan de Maas. Ik vond het heerlijk. Hoe de stad bewoog en leefde vond ik heel tof. Venlo gaf mij voor het eerst in mijn leven het gevoel dat ik lekker mezelf kon zijn zonder veroordeeld te worden. Na amper een half jaar Venlo was het school avontuur voorbij. Stage was tof bij de Edah in Bergen. Maar de slechte cijfers, het onaangepaste gedrag, te veel spijbelen, diefstal, vernielen. Ik had grenzen overschreden. De school in Venlo was over en uit ❌ In Venray moest ik aan mijn leerplicht blijven voldoen. Op een plek met afvalligen van het systeem. De tijd doden met kookles en onzinnige praatsessies. Daar is mijn latere afkeer van koken begonnen.

In het dorp vond ik in de tussentijd aansluiting bij een andere groep jongens. Die ook op een brommer rondreden of er graag een wilden hebben maar niet konden of mochten. Het werd een gemengde groep van volgers, vrijbuiters, profiteurs, meelopers, eenlingen en eenzamen. Opgefokte Kreidlers, Yamaha’s, Honda’s en niemand wilde voor elkaar onderdoen. Ik reed rond zonder helm. Vetkuif in de wind. In mijn vrije tijd werkte ik keihard in de horeca. Geert zag in mij een harde en gedreven werker. Hij geloofde in mij en was de eerste en enige die in goede en slechte tijden voor mij op kwam en steunde. Mijn laag zelfbeeld en gebrek aan zelfvertrouwen wist hij door vertrouwen te geven op te krikken.

Ik voelde mezelf nuttig. Verdiende goed. Spaarde veel. En wilde breken met mijn verleden. Die kans leek zich aan te dienen met het begin van het nieuwe schooljaar. Ik werd totaal onverwacht toegelaten tot de Havo op het St.Thomascollege in Venlo. Ik was zielsgelukkig. Eindelijk kon ik mijn dromen waar gaan maken🙏🏼

Share

Loden jas (10).

We hadden de keet bij ons thuis nog maar daar vervreemde ik van. Ik hoorde er steeds minder bij. Pubers hebben een eigen taal. En ik sprak die taal niet. Leeftijdsgenoten die bij ons kwamen kon ik niet volgen. Bier, roken, op stap gaan raakte mij niet. Er werd niet met mij gepraat. Er werd wel met elkaar over mij gesproken en niet met mij als ik er bij was. Ze spraken achter de rug om over mij. Dat is nog erger dan met je in gesprek gaan. En op de momenten dat ik er wel iets werd gezegd waren de meningen verrassend eensgezind en vaak tegen mij. Voor dat soort situaties ontwikkelde ik een zevende zintuig. Verschrikkelijk om telkens weer in zo’n situatie terecht te komen. Jaar in jaar uit. Waar ik daarna ook terecht kwam bleef het patroon zich herhalen. Ik hoorde er niet bij en tegelijkertijd was ik er wel vaak bij. Alleen, er echt deel van uit maken lukte niet. Alsof ik werd getolereerd en als het er op aan kwam toevallig werd vergeten. En dat vergeten ging er bij mij niet in. Dat geloofde ik niet. En het was ook niet zo. Het was geen toeval dat er van alles werd georganiseerd en gedaan zonder mij. Waarschijnlijk was ik niet van dezelfde bloedgroep. Te stoer, te ruig of onvoorspelbaar. Zeg het maar wat het veroorzaakte. Maar echt ruig was ik niet. Ik dronk niet, rookte slechts kort en daar werd ik altijd ziek van, had geen lang haar, hield niet van hardrock, had geen vriendin, een andere mening. Als het er op aan kwam viel ik altijd buiten de groep. Ik heb nooit gehoord waarom dat zo was. Het was niet, nooit, never, zoek het maar uit. Nu niet en dan niet hoor jij bij ons @meerlo en omstreken! ‘s Zaterdags in de soos hoorde ik ze roepen: De taxi is er! We gaon. Hoie! En dan bleef ik achter. Mij werd niets gevraagd en ik vroeg niets. Want met vragen vergrootte de afstand en ik wilde er bij horen. Dan dronk ik toch maar een fles bier, at een Snickers en ging naar huis. Onderweg de tranen in de ogen. De ervaring had geleerd dat ze in de disco niet te vinden zijn. Dan zeiden ze: We gaan naar Horst. En dan gingen ze naar Venray, of andersom. En dan hadden ze lol omdat ze mij op het verkeerde been zette. Soms ‘mocht’ het wel. In de taxi. Een zeldzaamheid. Ik weet dat het ooit gebeurd is maar heb die avond blijkbaar ver weg gestopt. Met oud op nieuw mocht ik één of twee jaar met ze mee. Met een rugzak vuurwerk de straat op. En bij elk ouderlijk huis van de groep één of twee flessen bier achterover gooien, eieren eten en dan weer verder. Mijn moeder kwam mij om half vier ‘s nachts halen toen we gaar bij iemand in de keuken zaten te knikkebollen. Alle glans van ‘leuk op stap gaan’ was er bij mij van af. Is dit het nu? Moet ik dit leuk vinden? Het riep overeenkomsten met de leraren op de mavo op. Ze gingen op vakantie naar Renesse of iets dergelijks. We speelden samen voetbal, gingen met elkaar om, zaten bij ons in de keet maar als het er echt op aan kwam negeerden ze mij volkomen. En werd ik genegeerd. Voordat ik een brommer had fietste ik op mijn Simplex fiets met een 3 versnellingen Sturmey-Archer vaak in de drie op en neer naar Horst of Venray. Bezweet en met dikke benen kwam ik dan thuis. Allemaal om ooit, als ik een racefiets zou hebben, meteen op conditie te zijn. Want wielrennen vond ik geweldig. Maar bij ons op het platteland was wielrennen niets. Toen een paar jongens ineens een racefiets kochten en samen gingen fietsen vroeg ik of ik mee mocht. Of geej met os mit meucht fietsen? Waorom dat dan? Nieje. Weej willen d’r ow nie beej hebben Seijkens. Zuuk ut lekker zelf uut! De verjaardagsfeesten waar ik voor werd gevraagd zijn op één hand te tellen. Toen ik eens lang een garage kwam waar veel klasgenoten feest vierden kwam dat hard aan. Ik was alweer niet gevraagd. Ze stonden voor het raam mij uit te lachen. Ik hief mijn vuist en wilde net doen of ik ze zou slaan. Uit onmacht en om me groot te houden. Het ging mis. Ik sloeg het raam per ongeluk in en haalde mijn hand open aan het gebroken glas. Shit, dat heb ik weer! Toen een jongen uit het dorp door een ongeluk met een zware hersenschudding thuis op bed lag werd ik door hem en omstanders als dader aangewezen. Ik zou hem overhoop hebben getrapt. Ik moest zelfs komen zodat ze mij als dader aan konden wijzen. Ik had niets te vrezen want ik was op het moment daar helemaal niet geweest en wist niet eens waar ze het over hadden. Ja hij heeft het gedaan, zei hij met bibberende stem. Ik stond als vastgenageld aan de grond. Jaren later fikte de tijdelijke soos af. Een hele toffe plek. Ik vond dat echt een mooie soos. Toen ik hoorde dat ie tot de grond toe was afgebrand stonden de tranen in mijn ogen. Zelfs daarvan werd ik beschuldigd. Dat heeft die van Seijkens gedaan! Het leek wel of ik de zondebok van dat klootjesvolk was geworden! 

Nooit heeft iemand mij verteld waarom dat zo was. Of waar die hufterige onverschilligheid vandaan kwam? Waarom de zaken zo liepen? De vragen die duidelijkheid kunnen geven heb ik nooit gesteld en ik vraag mij af of er nu wel een eerlijk antwoord op komt? Ik deed mee om er bij te horen maar had echt geen enkele aansluiting bij al deze mensen. En zij niet met mij. En toch gaf ik niet op. Want veel keuze was er niet. Waar moest ik dan heen?

Ik voel de onbedwingbare wil om mijn verdriet te uiten. De ervaringen liggen in de kelders van mijn leven en stinken, ze rotten, het komt af en toe opborrelen en dan verzuurd het mijn gedachten en gevoel. Het hindert mij in mijn werk en maakt dat ik een groot verlangen naar samen heb. Samenwerken en niet alleen zijn.

Het deed heel veel pijn. Veel berouw, verdriet, spijt en schaamte en het heeft mij meer dan vijfendertig jaar gekost om mij over de schroom heen te zetten dit onder ogen te zien en te delen. Het maakt dat ik mij heel goed kan voorstellen hoe mensen zich voelen die buitengesloten worden omdat ze zichzelf willen zijn. Zonder masker. Vanuit hun diepste verlangen en oprechtheid.  

Share

Loden jas (9).

Met het verlaten van de voetbalvelden bleef de energie die ik in mij had opgesloten. Die moest er uit. Dat zou jaren nodig hebben. Want ook al was ik zestien en hard op weg om zeventien te worden. Daarmee was mijn honger naar presteren niet gestild. En als het niet met teamsport kon dan moest het maar anders. Maar eerst school. Daar was ik in mijn hoofd al lange mee klaar. Op de lagere school hadden een paar ongelukkige zielen die mij niet aankonden geprobeerd mij op de Lom-school te dumpen! Daar zeiden ze: Uw zoon hoort hier niet thuis. Die is veel te slim en gevat. Dat ze daar in Meerlo maar beter hun best doen. Dat zij daar niet de vaardigheden voor hebben wil niet zeggen dat hij daar de dupe van moet worden. De directeur van de lagere school heeft het geweten. De wraak was er toen ik naar de middelbare school moest. De Cito toets wees uit dat Havo haalbaar moest zijn. De invloed van de schooldirectie reikte via persoonlijke contacten tot de Mavo’s en Havo’s in de regio. Toelating tot die scholen was uitgesloten. Mijn reputatie werd flink aangedikt en de deuren daar bleven voor altijd voor mij gesloten.

Ontelbare keren begreep ik de manier van lesgeven en de omgang met leerlingen niet. Waarom doen volwassenen zo? Wat bezielt hun? Van alle leraren op de MAVO-Maasdorpen waren er slechts een handjevol sympathiek. Destijds stelde ik mij vele vragen. En ik benoemde dat thuis.Waarom zijn ze zo achterbaks? Waarom doen ze zich op school netjes voor en doen ze alsof ze de wijsheid in pacht hebben? Wat moeten ze van mij? Waarom wil die ene leraar altijd weten of wij ons huis verkopen? Op straat gedragen ze zich heel anders. Bijna verlegen en schuw. Op school zijn het kleine dictators en in het gewone leven kleine mannetjes. Hoe kan dat? Goeie vragen waar geen bevredigende antwoorden op kwamen. 

Ik voelde mij er niet veilig. Snapte de omgang met andere jongens niet. Die rookten shag, droegen spijkerjacks met afbeeldingen van hardrock bands. Hadden verkering en gingen op stap. Ik niet. Ik kreeg aandacht van meiden. Mijn hormonen verlangden naar meer dan aandacht maar helaas bleef die uit. Soms sloeg ik er nog op los. De laatste keer op de mavo was het een lompe klootzak uit een buurdorp.  Met een soort van karatetrap op zijn bovenbeen bracht ik hem volledig uit zijn balans. Het kwam voort uit wrok en woede. Een soort vergelding voor wat zijn maten mij hadden aangedaan. Ik was op de kermis in zijn dorp geweest. Zij hadden zich aan mij geïrriteerd en wilden mij in elkaar rammen. Vijf tegen één is te veel voor mij. Dus zette ik het op een lopen. En met mijn snelheid moest je van goede huize komen om mij te pakken. De angst en woede van toen kwam er uit. Ik voelde de adrenaline koken en mijn nekharen overeind staan. De trap was bijna vernietigend hard! Ik schrok me kapot en hij nog meer. Ik had zijn been wel kunnen breken. Bij de reünie vijfendertig jaar later was het nog steeds een lompe boer en een lul van een vent. Vrijgezel en geen vrouw. Tuurlijk! Zak. Het was  kenmerkend voor mijn schooltijd en het zou nog erger worden toen ik naar de stad ging.

Met veel pijn en moeite slaagde ik voor de Mavo op D nivo. Ik had er helemaal geen zin in. Een toekomst? Hoe dan? Voor wat en wie? Flikker op man! Ik was rebels, anti-alles en wilde het liefst weg van alles en iedereen. Het was de tijd van hoge jeugdwerkeloosheid. Ik wist absoluut niet wat voor beroep ik wilde gaan uitoefenen. Droomde er van archeoloog of journalist te worden. Daarvoor moest je via de Havo naar het HBO en dan de Universiteit. Soms voelde ik mij zo goed dat het leek of alle kennis binnen handbereik was. Dat het mij aan kwam waaien. Ergens een luikje open gezet werd en barrières verdwenen. Nog steeds weet ik niet waar dat vandaan kwam. Dan snapte ik alles, kon verbanden leggen, zelfs uitleg geven aan leraren en mede-leerlingen die verder ging dan wat we kregen aangereikt. In mijn vrije tijd zwierf ik uren door de bibliotheek en las alles wat aan kwam vliegen vanuit de boekenkasten. Rust, lezen, gretig absorberen. De wereld buiten via boeken ontdekken.

Mijn diploma uitreiking was een herhaling van vier jaar eerder. Ik bleef in bed liggen en toen alles afgelopen was ging ik het papiertje ophalen. Eerder uit afkeer dan uit des-interesse omdat ik mijn pijn niet wilde voeden. Maar ik had geen keus. Ik had geen zin in de vragen en de blikken om mij heen en de verhalen van de voorbeeldige, ijverige brave klasgenoten die wel naar de Havo mochten. Ik alweer niet.

Share