Zwarte sneeuw.

‘Een goede voorbereiding is het halve werk’, hoor ik Marianne Vos zeggen bij de pauzeplaats van de Silver Medal toertocht. Het was herfst 2017 en het regende hard en veel, modder op de West Brabantse wegen en we stopten voor koffie met wat lekkers en wat plichtplegingen bij het gemeentehuis van Zevenbergen. Zij had als één van de weinige een tas met droge kleren bij. Terwijl wij zaten te vernikkelen en hoopten op te drogen voor we verder fietsten kwam ze terug met droge en warme kleren aan. Daar moet ik aan denken als ik de rit van gisteren weer voor de geest haal.

Daags van tevoren de routen uitstippelen. Weerbericht kijken. Kleding en eten klaar leggen. Fiets in orde maken. Op tijd naar bed. Voor alle zekerheid de route op een kartonnetje geschreven zodat ik kan spieken en niet een verkeerde afslag neem. Ik slaap uit en ga vanaf de camping in Aigueblanche via Albertville voor een rit over de Cormet de Roselend en dan in Bourg-Saint-Maurice links af naar de Col du Petit Saint Bernard. Het is de helft van etappe 20 van de Tour de France. Val Thorens heb ik eerder deze week al beklommen. Na vandaag ga ik later deze week etappe 19 van Saint-Jean-de-Maurienne naar Tignes fietsen. Dat is de planning. ‘Een goede voorbereiding is het halve werk’, toch?

In de aanloop naar deze dagen heb ik mijn trainer gebeld: “Niet te veel denken Cor. Je moet ervaring op doen. Ga maar door de pijngrens. Ga diep en vergeet die teller op je stuur. Niet naar kijken. Daags erna voel je je benen. Herstellen kun je de dag na een zware inspanning. Je moet weten wat het is. Dan kom je niet voor verrassingen te staan als je in de Tour bent. Je hebt tot nu toe precies het schema gevolgd en ga nu op gevoel aan de slag en kijk hoe ver je komt. En geniet er van. Je mag gerust plezier hebben!’ 

Eerst naar Albertville, de brug over, rechts af richting Venthon de D925 op. In de koelte klimmen vanaf de Noordkant. Heerlijk. Mooie rustige klim. Prachtig weer. Ik ontmoet een fietser die dezelfde kant op gaat. Steve. Een Australiër die hier zes maanden per jaar toertochten organiseert en de andere zes maanden in Australië woont. Wat een zwetser! Te veel, te snel, alle Franse namen in het Engels en met een zakelijke kater omdat hij dit jaar stopt met zijn reisbureau. Hij stop en gaat koffie drinken. Gelukkig. Pfffff! Soms is het tof iemand te ontmoeten. Deze keer niet. Ik ben gelukkig weer alleen en begin in het Forêt-des-Pointières aan de Roselend. Mijn hartslag is hoger dan een dag eerder op de Madeleine. Maar allez. Dat mag. Ik wordt ingehaald door drie mannen. Eén met een triatlon fiets met ligstuur. Belgen blijkt. Hun maat volgt tien minuten later. In Beaufort stop ik bij het stuwmeer voor koffie met bosbessentaart en mijn mond valt open. Zonder taart er in. Tegenover mij zie ik een muur van een berg liggen. Wat een blok steen. Met watervallen die de wel 100 meter de diepte in storten. Zonlicht dat de flanken verlicht als een zoeklicht. Prachtig. Daar moet ik heen. Bidons vullen en verder! Ik stop een paar keer en kijk haar het stuwmeer, de omgeving en de berg voor mij. Want dit geloof ik niet, zo inmens. Als ik richting de blok steen fiets zie ik dat er zich twee bergkammen boven elkaar bevinden. Ik fiets recht op de kammen af en het is net alsof de eerste zich over mij heen buigt. Alsof het dak van een stadion zich boven mij sluit. Ik knipper met mijn ogen en weet dat het niet echt is. Maar toch. Stel je voor. Door en door. De kammen over, tussen de kammen en het blok steen door en dan verandert de sfeer. Van zon en groen beland ik tussen ijs, sneeuw, grauwgrijze rotsen en smeltwater. De lucht is bewolkt en het wordt fris. Doortrappen en de hartslag niet te veel laten zakken. Ik haal een gast in op een oude zwarte Pinarello en een fietser op een rode Cinelli met een megagrote zadeltas zonder helm maar met een koerspetje. Bijzondere combinatie. Op de top van de Roselend snel een foto voor het plakboek en dan naar beneden. Geen jasje of armstukken aan. Gaaaan! Nu zit ik op de Route des Grandes Alpes. En voor mij een recht weg die naar beneden gaat. Kaarsrecht. Ik maak een foto en plaats dan de handen in de beugels. Gas erop. Daar waar de klim heerlijk liep en best wel wat van mijn benen vroeg is de afdaling een verraderlijke. Met haarspeldbochten die een extra knik in zich hebben. Op tijd remmen en van buiten naar binnen naar buiten. Wanneer ik aan de rand van de weg stop om een paar foto’s te maken zie ik beneden een ouder echtpaar liggen in het gras. Zij op haar zij en hij op zijn rug. Ze slapen. Ik zwaai en hij lacht en zwaait terug. We lachen. En verder. Goed opletten in de haarspeldbochten en voor het slechte wegdek.

Rond drie uur ben ik pas in Bourg-Saint-Maurice. Er moet eten in. Een sportreep als voorafje. Bij een reformzaak koop ik twee bananen, stroopwafels, nougat en anderhalve liter water. Ik tik de bananen en drie stroopwafels naar binnen en blus het af met veel water. De rest gaat mee in de bidon en mijn shirt. Zoals het nu gaat kan ik nog naar boven en op tijd beneden zijn. Toch?Bij de D1090 staat het bordje met La Rosière, Col du Petit Saint Bernard, Col de I’Iseran, Tignes. Even verder op het kilometerpaaltje. De beroemde witte blokken met gele kop. De D-wegen. Daar staat op dat het nog 26 kilometer is. Wat? Dat is mij ontgaan. ‘Een goede voorbereiding is het halve werk’, hoor ik als een echo door mijn gedachten gaan. “Niet miepen. Doortrappen. Ik ben er nu toch.” Wat ik wel had gelezen over deze klim is zijn goede profiel. Gemiddeld een goede 5%. Dus dat is te doen. Dacht ik… 

“Niet te veel denken Cor. Je moet ervaring op doen. Ga maar door de pijngrens. Ga diep en vergeet die teller op je stuur. Niet naar kijken. Daags erna voel je je benen. Herstellen kun je de dag na een zware inspanning. Je moet weten wat het is. Dan kom je niet voor verrassingen te staan als je in de Tour bent. Je hebt tot nu toe precies het schema gevolgd en ga nu op gevoel aan de slag en kijk hoe ver je komt. En geniet er van. Je mag gerust plezier hebben!’

Het landschap is prachtig. Wel veel bewolking. Dat is richting het Zuiden en Italië. De pas gaat de grens over naar Aosta. Zover is het nog niet. Eerst boven zien te komen. Het is rustig. Er dalen meer wielrenners dan omhoog gaan. Iedereen hier is trouwens vriendelijk. Dat valt mij overal weer op. Ze groeten je. Maken een praatje, ik zeg dan niet zo veel terug want met mijn twee jaar Frans mag ik blij zijn als ik überhaupt me verstaanbaar kan maken. Enfin. Ik ben die berg aan het beklimmen en het gaat niet zo lekker als de dag er voor. Hogere hartslag, meer aan het werken, de soepelheid is er niet, last van tintelende handen en mijn rechterbeen lijkt wel af te toe te slapen. Het is niet fijn rijden zo. Er zijn nog 23 kilometer te gaan. En dat gaat door en door en door en door. Bij La Rosière zie ik eindelijk twee fietsers die ook naar boven gaan. Het zal nog kilometers duren eer ik bij ze kan komen. Dan is het al aan het afkoelen. De wind die vanaf de bergtop waait is ijs en ijskoud. Het smeltwater ook. Mijn schoenen worden nat. Ik kom bij de twee gasten die voor mij fietsen. De ene heeft een tenue aan van het FDJ opleidingsteam, hij heeft een bloedneus. De andere fiets met een recht stuur en een soort wandelschoenen. Dikke sokken aan. Een kop kleiner en ik schat ze zeker 10 jaar jonger. Ze fietsen zo makkelijk. Ik haak aan en we fietsen naar boven. Ze spreken engels. ‘Waar komt u vandaag? Uit Nederland. Zware klim jongens. Ja, wij zijn dat wel gewend. Wij fietsen hier vaker. Ik niet, en hij valt tegen. Hahaha…dat hebben wij op het vlakke. Wij kunnen daar gaan snelheid maken.” Ik zie de sneeuwwallen van drie meter hoog. Aan de weg. De kou snijdt door mijn lijf. Ik ben me aan het opblazen. Het wordt mij ineens te veel. Ik moet terugschakelen en me sparen anders haal ik het niet. “Is daar de top?” In de verte zie ik een huisje boven de meters sneeuw uit komen. “Ja, en dan nog een paar honderd meter verder. Maar let op want dat laatste stuk is weer steiler.” Nu ga ik wel nadenken. “Merci, fiets maar door, ik zie jullie straks wel.” 

Ze dartelen voor mij de berg op. De ijskoude wind grijpt me overal vast. Waar de Madeleine met haar warmte geen grip op mij kreeg gaat Bernard mij ongenadig hard bij mijn ballen pakken. Shit man! Dit overvalt mij. Een S-bocht en dan voorbij het monument van de Bernard, een Hospice en verder op nog een paar gebouwen. Een lang recht stuk met de wind vol op kop. Voor mijn gevoel gaat de weg een diepvries in. Het is wit om mij heen. Sneeuwmuren die op de weg zijn gevallen. De pas is open maar de kou is niet weg. Eindelijk ben ik er en als ik afstap sta ik te rillen van de kou. Ik ben duizelig en mijn oriëntatie kwijt. Snel een foto maken bij het bord. De jongens staan ineens bij me. “Als je doorfietst kom je in Italië. Het is maar een paar honderd meter.”  Ze zijn heel vriendelijk en trots op hun berg maar ik wil terug. Ik bedank ze en ze gaan de afdaling in. Eerst bij zinnen komen. Mijn maag speelt zich op en ik heb het gevoel alsof alles er uit komt. Mijn benen trillen. De souvenirwinkel bied uitkomst. Er staan een klein kacheltje op de grond waar ik voor ga zitten. Geen effect. Armstukken aantrekken wordt een opgave. Volle concentratie. Dit gaat niet goed. Ondertussen moet ik geeuwen bij het leven, trillend lijf, mijn maaginhoud wil naar buiten vliegen en mijn hoofd tolt, ik van bijna flauw en moet me aan de toonbank vasthouden. Wat is er aan de hand? Ik pak mijn telefoon en zoek ‘de man met de hamer’ op. Lijkt er op maar niet helemaal. Ik bel Ellen. “Ha schat, ik ben op de top van de Bernard, telefoonaccu 21%, koud en ziekelijk, kom me halen. Ik ga nu naar beneden.” Meer heb ik haar niet te vertellen.

Mijn regenjasje is te dun. Ik krijg bubbeltjesfolie om onder mijn jasje te doen en ga naar beneden. Zuutjes aan! Heel langzaam daal ik af. Ik moet nog twee foto’s maken en dan geloof ik het wel. Aandacht er bij, opletten voor gladheid maar in La Rosière stap ik weer af. Alles draait en ik dreig de controle over mijn fiets en mezelf te verliezen. Ik stop en ga op een muurtje zitten. Dat houd ik even vol. De misselijkheid is mij te veel. De kou moet mijn lijf uit. Dan maar lopen en met de fiets in de hand ga ik even door. Zitten. Staan. Het gekke is dat ik mezelf rare bewegingen zie maken en die niet onder controle heb. Bijna als een dwaas rond loop. Een zatte. Ik moet het warm krijgen. De zon in. Uit deze kou. Een bouwvakker bied hulp aan. “Kan ik iets voor je doen, hier is geen arts of ziekenhuis maar wil je iets anders? Iets te eten? Een stuk brood” Alleen bij die gedachte al word ik misselijk! Ik ga op een bankje zitten en weet niet wat ik met mezelf aan moet. Wat is dit? Ik ga liggen, zitten, strompel over het grasveldje. En dan komt het er uit. Alles! Totdat het pijn doet. Alleen maar vocht. De druk is er af en ik voel me verlicht en besluit verder af te dalen. Na twee bochten komt Ellen er met de auto aan. We overleggen en ik wil persé zelf naar de voet van de klim afdalen. Ik voel me goed genoeg en dat was ook mijn minimale doel voor vandaag. Het lukt maar als ik in de auto zit wikkel ik mezelf in dekens en leg een kussen onder mijn hoofd. Ik voel me ellendig en leeg. Het verrassende nieuws. Ellen heeft precies hetzelfde! De rit naar Aigueblanche voelt alsof ik in een achtbaan zit. We stoppen twee keer en dat is nodig. Allebei geen cent waard. ’s Avonds eet ik maar veel gaat er niet in. Hersteldrank, thee, brood, melk, kwark. Ik ben leeg, op en gaar tegelijkertijd. Alle energie is uit mijn lijf geperst. Uitgepierd! Een prachtige rit maar ik heb ‘zwarte sneeuw’ gezien!

De weegschaal geeft daags erna 80,4 kilo aan. Dan heb ik behoorlijk veel gewicht verloren in een paar dagen tijd. Het eten van die middag is versneld via de maag naar mijn dunne darm gegaan en het is waarschijnlijk een combinatie van een virus en een hongerklop geweest. Die heb ik niet aan zien komen. Deze ervaring maakt mij bewust van het feit dat ik moet blijven eten. Dat doe ik normaal altijd. Ga niet op de automatische piloot te werk en het mag en kan ook wel eens wat minder. Op tijd opstaan en eerder vertrekken maakt het ook makkelijker. Daags erna zijn we allebei zo slap als een vaatdoek. Ziek, zwak en misselijk. We slapen of liggen op bed te lummelen. 

‘Een goede voorbereiding is het halve werk’. Alleen op zo’n ervaring had ik mij niet voorbereid. 

Share

Dwars door Vlaanderen

Als ik me de avond van te voren inschrijf weet ik dat ik ga afzien. Er wordt min drie en een koude windkracht vijf uit het Noordoosten voorspeld. Ik twijfel geen seconde. Dwars door Vlaanderen staat op mijn kalender, het is op 17 maart 2018 en ik ga er dwars doorheen. Tas inpakken, fiets klaar, slapen. Morgen zie ik wel verder.

Als ik die ochtend naar buiten kijk ligt er een centimeter sneeuw op de voorruit van de auto. “Bah, kouwe handen!’ Motor warmdraaien, ontbijten en op weg naar Vlaanderen. Vanaf Antwerpen is de sneeuw minder. De kou niet. De weerman van Radio 2 “Het kan vandaag in de Vlaamse Ardennen -2 tot -6 worden. U kunt beter binnen blijven.”

Nou bedankt! In Waregem is het grauwgrijs. Bijna verlaten. Omkleden op de parking en snel weg. De kou pakt mijn bovenbenen beet. Bij de start ben ik de laatste van de 152 kilometer. “Woont u hier?” vraagt een vrijwilliger. Nou nee…ik ben een liefhebber van de Vlaamse koers. En terwijl ik het zeg schraapt de kou mijn keel. Hij kijkt mij aan en lacht. Binnen maak ik het kaderplaatje aan mijn stuur vast en mijn vingers beginnen al te tintelen. Shit, naar de w.c. Ik wordt aangesproken; “ Uw fiets mag niet binnen staan’. Als ik uitleg dat mij wat dwars zat begint de man te lachen. “Veel sterkte vandaag!” Ja, dank u. Weer zo’n lach. Een gratis koffie gooi ik in mijn loden pijp, inklikken en weg. Bij de eerste kruising recht door. Daar gaat het mis. Ik zie een pijl niet en rij 6 kilometer om. Als ik even later op het parcours zit denk ik dat de gast voor mij ook een afslag mist en ik roep ‘Rechts af’ hij kijkt om. Hij houdt in. Blijkt dat mijn navigatie mij voor de gek hield “Sorry, ik schatte het verkeerd in.”

“Allez, ik dacht al; Wat is er aan de hand?” Niets dus! We moeten er allebei om lachen. We draaien de volgende weg rechts af. Vanaf dat moment rijden we 100 kilometer samen. Achteraf maar goed ook. Weten wij veel wat ons nog te wachten staat.

Zo leeg kan een landschap zijn

Het blijft koud en de harde wind blijft op kop. “Hij zou toch uit Noord Noordoost komen?” Vandaag komt ie uit alle richtingen. Nergens kan ik echt schuilen. Achter de rug van mijn nieuwe fietsmaat waait het minder. Met zijn zwarte pekken en blauwe oversokken ziet hij er niet alledaags uit. Diepe zit en zwaar verzet. Dikke poten, malen en stoempen! Waar haalt hij het vandaan?

Hij vertelt tijdens het fietsen. Dat hij uit een diep zwart gat omhoog is geklommen. Niet fit in zijn hoofd en tegelijkertijd een topsport lijf hebben. Alles verloren wat hij had. Nu is hij gelukkig op de vrachtwagen. Wekelijks op en neer naar Engeland. De cabine in plaats triatlon of de tekentafel. Hoe simpel kan het zijn? We zwijgen en fietsen door. We stoppen voor warme thee en fietsen door. Zwart en grijs, wit en door dat alles heen de kleuren van wielerkleding. Het fluorgeel van mijn jas. De blauwe oversokken van mijn buurman. Dode dieren! De klim is door de huizen en bomen heen te zien, een zwart grauwe bult! Is dit de Paddestraat? Neee. Dat kan niet. Zo mogen ze ‘m wel noemen. Overal liggen dode padden of zijn het kikkers? De hele klim slinger ik langs de dode platte kwaakers. Ik heb veel  op de weg zien liggen maar dit nog nooit.

Winter in Vlaanderen. De kou drukt mijn longen dicht. Ik neem afscheid van mijn blauwe sokken fietsmaat. Hij gaat eerder naar huis. Heeft het wel gehad voor vandaag. Ik ga door. Wil niet opgeven en de afkorting nemen. Ik ben hier gekomen om de volle afstand te fietsen en dat ga ik doen. Het land is ruig. Ik moet een foto maken. Boven op een kale heuvel trek ik mijn handschoenen uit, leg mijn fiets op de weg en pak mijn telefoon. Mijn vochtige handen verkleumen vrijwel meteen. Het maken van een foto is alsof ik met armen waar houten stokjes aan zitten de camera moet bedienen. Het gaat bijna niet. Ze tintelen. De vingertoppen gevoelloos. De foto’s lukken maar mijn handschoenen aandoen niet. Ik ben geboeid aan de kou. Na een eeuwigheid lukt het. Ik zit en fiets door. Dit doe ik nooit meer. Weken later heb ik nog steeds last van mijn vingertoppen. Ze zijn voorgoed beschadigd.

En dan was er nog die andere renner…waar ik de laatste 40 km mee samen fietste en die in de buurt woonde. “Ik ben vanmorgen met mijn vrienden aan deze rit begonnen op mijn mountain bike maar kettingbreuk en terug naar huis gelopen. “Fiets maar door, ik zie jullie straks wel. Toen zijn ze door gefietst en ik ben mijn racefiets gaan halen.” Hij is verrassend fit. Beter dan ik mij voel. We fietsen samen naar de finish. Ik ben het kwijt. De weg niet maar wel de zin om dit gauw genoeg weer te doen. Ik eet drie kommen tomatensoep, schuif aan bij de TV met daarop Sporza die Milaan – San Remo uit zend. De Primavera..weinig van te merken hier!

Het zat er op.

Deze rit was zwaar. Door de kou en de wind die vanuit alle hoeken kwam. De warme Vlaamse gastvrijheid liet mij vrij snel het ergste vergeten.

Als ik weken later de website van de Etixx Classics Tour bezoek lees ik:

Bibberen en beven voor ‘flandriens’ tijdens Dwars door Vlaanderen Cyclo

De Dwars door Vlaanderen Cyclo selecteerde zaterdagvoormiddag het kaf van het flandrien-koren. De derde manche van de Etixx Classics Tour was er ééntje voor de doorzetters door de ijskoude omstandigheden.

Bij de start ‘s ochtends zakte de temperatuur tot -3, rond 9u kreeg Waregem zelfs af te rekenen met een sneeuwbui. Het stopte de fietsliefhebbers niet. Velen onder hen maalden deze voormiddag hun kilometers plichtbewust af in de koude, omdat ze die nodig hebben om binnen enkele weken de grote afstand voor de We Ride Flanders te bedwingen. Gelukkig was er gratis koffie voorzien om een beetje troost en warmte te geven.

De deelnemers mochten onder meer dezelfde vernieuwde finale langs Nokereberg en de Herlegemstraat berijden die de profs binnenkort zullen afwerken, terwijl ze ondertussen wel al heuvels als de Taaienberg, Kortekeer, Mariaborrestraat en Kruisberg achter de rug hadden.” 

Dwars door Vlaanderen gaat ook dwars door de Vlaamse velden en ramt je door elkaar. Schuilen voor de wind kan niet. Laffe wieltjesplakker laten we op kop fietsen en de kou en wind stoempen we weg.

De koers leeft en het land beeft. Vlaanderen mijn land!

Share