Ik sprak hem voor het laatst, nee ik zag hem voor het laatst, zo ergens eind november 2020. Het was maanden geleden dat we elkaar hadden gezien. Nou nee, het was eerder een dik jaar geleden. Zo lang al. Vreemd hoe de tijd verstrijkt als de wereld om je heen bijna stil staat. We waren blij elkaar te zien. Dat was altijd zo maar die keer was het anders. Hij keek anders uit zijn doppen. Zijn gezicht wat gespannen. Eerder een grimas dan een glimlach. Bij toeval stonden we daar naast elkaar op onze racefiets te wachten bij het verkeerslicht. Het licht van zijn voorlamp verlichte zijn gezicht van onderen en creërende lange schaduwen. Zijn toch al lange neus leek groter, de fietsbril had hij afgezet en zijn oogkassen leken wel kuilen. Hij stond stil maar zijn ademhaling was onregelmatig.

“Alles goed?

“Ja, gaat wel.”

“Hoezo gaat het wel. Da’s niets voor jou om dat te zeggen. Bedoel je dat het niet lekker gaat?”

“ Ik bel je straks wel effe. Goed? Groen! Groener wordt het niet!”

Klak, zeiden zijn schoenplaatjes en ze zaten in de pedalen, hij zoog zich omhoog in zijn stuur, zette aan en weg was ie. Alsof de duivel hem op zijn hielen zat. 

Een uur later belde hij. 

“Ik moet je wat zeggen. De laatste tijd voel ik van alles.”

Oh ja? Dat zal wel. Dat heb ik ook. Je wordt een jaar ouder maat al is het je niet aan te zien. Dan voel je van alles wat er eerst niet was. Met het klimmen van de jaren daalt er van alles. Hahahaha!

“Nee joh. Dat bedoel ik niet. Effe serieus. Ik voel andere zaken.”

Andere zaken? Waar heb je het over gast?

“Het is nu zo’n maand of drie aan de gang. Wanneer ik overdag fiets is er niets aan de hand. Maar in het schemerduister en het donker is het er. Ik kan er niet de vinger op leggen. Het is er. Ik voel het, hoor het, neem het waar en dat is het. Alsof er iemand achter mij fietst. Iets achter mij aan zit. Het begint bij mijn zij. Weet je, zo’n zachte beroering alsof een laken over je rug glijdt. Ik krijg dan de onweerstaanbare drang om over mijn schouder te kijken. En wanneer ik om kijk is er niets. Ik hoor het tikken, ruisen en schuren. Maar er is niets te zien.”

Ja? Dat kan toch man? 

“Kan dat? Ik weet het niet maat. Ik vind het vreemd.”

Waar gebeurd zo iets dan? Ik moest mijn lach inhouden en beet op mijn lippen. Hij was bloedserieus, dat hoorde ik aan zijn stem en toen we elkaar zagen bij het stoplicht keek hij angstig. Bang. En hij was niet aan het toneelspelen. Het was voor het echt. Dit paste helemaal bij zijn blik die hij zoeven liet zien. Het was menens. En ik liet de gedachten varen om het te bagatelliseren.

“Op de Royale Dreef, de Slingerdreef, en de weg van Chaam naar Gilze. Daar in de bossen. Ik heb het er niets op maat. Wat moet ik er mee?” 

Goeie vraag. Wat wil je er mee?

“Vanaf zijn. Maar ik stop niet met fietsen. Het zal wel een hersenspinsel zijn. En weet je, soms voel ik het dan steken in mijn rechterzijde. Dan, als ik die dingen ervaar. Dan knal ik vol gas door.”

Toen viel een stilte. Wie er begon met praten weet ik niet meer. Het was eerder een zucht dan een woord of zin.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*