Relatie voor prestatie.

Samen is beter dan alleen. Dat is zo’n gevleugelde uitspraak tijdens het fietsen. 

Op het werk hoor ik het zelden. Daar geldt; Eerst prestatie, dan relatie. 

En dat bevreemd mij. Want waarom zou je in je privé tijd wel over samen hebben en daar meteen het waarde oordeel ‘beter’ aan verbinden terwijl je op het werk eerst iets moet laten zien, de prestatie, en dan pas kan spreken van een relatie. Een samen.

De ‘maar’ het onder voorbehoud van iets of wat. Waarom is dat? 

Zonder relatie geen prestatie. Dat is mijn uitgangspositie.  Waarom heb je eerst een bewijs van geldigheid nodig? De afgelegde proef. Het slagen. En daarna het geloof. Waarom niet eerst het geloof en daarna het bewijs?

Een interessante gedachte waar ik het antwoord nog niet op heb gevonden. Want is de waarheid niet aan vele gezichten onderhevig? 

Dan kijk ik naar twee fietsers waarmee ik op pad ben. Met de een fiets ik al jaren en we vertrouwen elkaar. Blindelings en ik elke situatie. De ander is nieuw voor mij, toch gaat dat ook vanuit vertrouwen en de relatie waarin we elkaar er niet af fietsen, testen, op de proef stellen of onze prestaties naast elkaar leggen voordat we een band opbouwen. Want de band ontstaat zodra je die wil laten ontstaan. Daar zit het verschil in.

Share

Obstakels.

In vele vormen verschijnen ze op je weg. In woorden van jezelf of in die van een ander. Gedrag dat je waarneemt en je prikkelt. Sensaties die je voelt. Fysiek of mentale obstakels. Niet altijd even welkom of gepland. Toch zijn ze er. Moet je er wat mee? Of laat je ze voor wat ze waard zijn?

Soms is het goed ze voorbij te laten gaan en je eigen weg te vervolgen. Er niets van aan te trekken want het voegt niets toe! Toch zijn er ook van die drempels die je over moet. Je wil het obstakel overwinnen. Omdat je het jezelf oplegt of laat opleggen door de verwachtingen van anderen.

Wat is goed en wanneer zorg je goed voor jezelf? Door naar je eigen stem te luisteren of naar de wil van een ander? Heb je een goede raadgever, vriend, vriendin of vertrouweling aan je zijde staan op wie je mag steunen? Heb je een moment voor stilte? Dat je even alles aan de kant mag zetten en tijd kan nemen om nergens aan te hoeven denken. Alleen maar te voelen en gewaar te worden wat er gebeurd? Welk obstakel in de weg zit om je weg te vervolgen?

Neem de tijd. Zet de tijd even stil. Parkeer je doordravende ‘fiets’ en durf eerlijk te zijn!

Share

KUTEPIDEMIE

Een jaar als dag. En langzaam glijden we de diepte in.

Het kost mij moeite om daar niet aan toe te geven.

Al ruim een jaar leven op een postzegel.

Er zijn momenten dat het fucking kut, klotenniks is.

Geen zak aan! Vervelende rotwereld. Zak d’r in!

Misselijk volk, akelige streken, domme knuppels!

Stomme ikke! 

Stomme samenleving. Belachelijke regels. Godverdommense kutepidemie. Opzouten!

Gekke geloofsfanaten, opruiende politiek. Flikker op man!

Opzouten, wegwezen.

Ik ben er klaar mee!  

Met mensen die me lastig vallen met hun waarheid. Zout op man!

Die me koeieneren. Ga weg. Laat mij met rust!

Die over stoepen fietsen en tegen het verkeer in rijden. Wegwezen jij! Wil je verongelukken? Halve zool!

Met niet groetende buurtbewoners die met hun hoofd omlaag voorbij lopen. Hallo! Hoe gaat het met je?

Rondracende auto’s door woonwijken. Intrekken dat rijbewijs en auto inleveren!

Zwerfafval en de onverschilligheid waarmee die troep op straat wordt gesodemieterd. Ik donder het spul in je woonkamer!

De grote bek van de jeugd als ze worden aangesproken op hun gedrag. Kom eens hier en praat met me!

Huizenprijzen die belachelijk hoog zijn. Moet je over mijn rug rijk worden? Echt niet!

De stellingname van de ene tegen de ander. Die zich laten opfokken. Rustig aan man!

Ik ben er klaar mee. Helemaal klaar. 

Gedachten als een bliksemstorm. Oncontroleerbaar en niet te bedwingen. Flitsend en alle kanten op. Wat als dit, wanneer dat, doe ik dit, moet ik dat, wat zal ik, wie weet of, ben ik, had ik, krijg ik, wat zal ik, en zal ik? Het blijft te keer gaan. Een op hol geslagen flipperkastknikker.

Het mag stoppen. Weer gewoon worden om elkaar te zien, te groeten, te omhelzen. Wang tegen wang. De stad in. Naar een concert. Zwetend elkaar in de armen vallen met in een hand een pilske dat leeg loopt. Dat en nog veel meer. Vrij zijn. In een wereld waar we elkaar zien en niet zien als bedreiging. Echt leven. En we weer durven.

Dromen. En plannen maken die uit, mogen, komen.

We glijden weg. Al een jaar. En daar ben ik klaar mee!

Share

Heej maat!

Fietsen in je eentje kan leuk zijn maar de laatste tijd voel ik mij niet alleen. In het donker hoor ik tijdens het fietsen links achter mij van alles. Een windvlaag die kranksom om me heen draait terwijl de rijwind al hevig is. Een tikkend geluid terwijl mijn fiets geen geluid maakt. Behalve het zoeven van de banden en het zacht ruisen van de ketting over de bladen. Ik houd mijn adem in maar dat helpt niet. Ik hoor het links en kijk over mijn schouders. Beurtelings links, rechts, links. Ik ga verzitten en trek mijn jasje strak. Geen klapperende windstopper of rammelend zadeltasje. Niets van dat alles. Als ik het hoor ga ik harder fietsen. En wanneer ik thuiskom hangt er niets aan mijn fiets. Ik hoor het al maanden. Vanaf het schemerduister. Het ongrijpbare geruis en tikken. Eerst dacht ik aan een plakker, een wieltjeszuiger, een profiteur, uit de wind zitter, stil en onzichtbaar in mijn slipstream hangend mijn bordje leegeten en dan bij de brug naar Bavel zeker voorbij stuiven om een KOM’etje te pakken, vanachter mijn hoge rug er tussenuit peren en vol gas het viaduct op! Dat is het niet. Toch is het er. Ook op andere momenten en routes. Het hangt aan mijn wiel. Ik ga dan op de pedalen staan en gooi mijn fiets van links naar rechts over de weg. Een koploper op weg naar de wielerbaan in Roubaix die zijn volger de vernieling in wil rijden. De volger verdwijnt echter voordat het de vernieling in gereden wordt. Het achtervolgt mij. Het laat mij niet los. Ik wil het afschudden maar het plakt aan mijn achterwiel. Laatst hoorde ik links iets en voelde ik in mijn rechterzijde een steek. Een prik. Zomaar. Zonder aanleiding. Mijn hartslag was goed. Genoeg gegeten en gedronken. Een paar kilometer later weer hetzelfde. Links geluid, rechts een steek. En daarna weer een paar dagen later. Uit het niets! Ik schrijf het op omdat ik bang ben. Het weerhoudt mij niet te gaan fietsen. Ik vind het eng. Maar ik ga door. Ik geef niet op. Ik moet verder. Kan niet stoppen. Het kan toch niet zo zijn dat? Laatst kwam ik een fietsmaat tegen en ik was als de dood dat hij zou zien dat ik de schrik in de benen had. Ik was in alle staten. Hij stond bij het stoplicht in Dorst te wachten om de provinciale weg over te steken maar ik had geen rust in mijn lijf. Later belde ik hem en deelde mijn ervaringen. Ik moest het kwijt. Stel dat er iets met mij gebeurd dan weet hij het tenminste. 

Ja? Dat kan toch man? zei hij.

“Kan dat? Ik weet het niet maat. Ik vind het vreemd.”

Waar gebeurd zo iets dan? vroeg hij. 

“Op de Royale Dreef, de Slingerdreef, en de weg van Chaam naar Gilze. Daar in de bossen. Ik heb het er niets op maat. Wat moet ik er mee gast?” 

Goeie vraag. Wat wil je er mee?

“Vanaf zijn. Maar ik stop niet met fietsen. Het zal wel een hersenspinsel zijn. En weet je, soms voel ik het dan steken in mijn rechterzijde. Dan, als ik die dingen ervaar. Dan knal ik vol gas door.”

Het luchtte op maar ik voel me er nog steeds ongemakkelijk bij. Stomme gevoelens!

Share

Heej maat!

Ik sprak hem voor het laatst, nee ik zag hem voor het laatst, zo ergens eind november 2020. Het was maanden geleden dat we elkaar hadden gezien. Nou nee, het was eerder een dik jaar geleden. Zo lang al. Vreemd hoe de tijd verstrijkt als de wereld om je heen bijna stil staat. We waren blij elkaar te zien. Dat was altijd zo maar die keer was het anders. Hij keek anders uit zijn doppen. Zijn gezicht wat gespannen. Eerder een grimas dan een glimlach. Bij toeval stonden we daar naast elkaar op onze racefiets te wachten bij het verkeerslicht. Het licht van zijn voorlamp verlichte zijn gezicht van onderen en creërende lange schaduwen. Zijn toch al lange neus leek groter, de fietsbril had hij afgezet en zijn oogkassen leken wel kuilen. Hij stond stil maar zijn ademhaling was onregelmatig.

“Alles goed?

“Ja, gaat wel.”

“Hoezo gaat het wel. Da’s niets voor jou om dat te zeggen. Bedoel je dat het niet lekker gaat?”

“ Ik bel je straks wel effe. Goed? Groen! Groener wordt het niet!”

Klak, zeiden zijn schoenplaatjes en ze zaten in de pedalen, hij zoog zich omhoog in zijn stuur, zette aan en weg was ie. Alsof de duivel hem op zijn hielen zat. 

Een uur later belde hij. 

“Ik moet je wat zeggen. De laatste tijd voel ik van alles.”

Oh ja? Dat zal wel. Dat heb ik ook. Je wordt een jaar ouder maat al is het je niet aan te zien. Dan voel je van alles wat er eerst niet was. Met het klimmen van de jaren daalt er van alles. Hahahaha!

“Nee joh. Dat bedoel ik niet. Effe serieus. Ik voel andere zaken.”

Andere zaken? Waar heb je het over gast?

“Het is nu zo’n maand of drie aan de gang. Wanneer ik overdag fiets is er niets aan de hand. Maar in het schemerduister en het donker is het er. Ik kan er niet de vinger op leggen. Het is er. Ik voel het, hoor het, neem het waar en dat is het. Alsof er iemand achter mij fietst. Iets achter mij aan zit. Het begint bij mijn zij. Weet je, zo’n zachte beroering alsof een laken over je rug glijdt. Ik krijg dan de onweerstaanbare drang om over mijn schouder te kijken. En wanneer ik om kijk is er niets. Ik hoor het tikken, ruisen en schuren. Maar er is niets te zien.”

Ja? Dat kan toch man? 

“Kan dat? Ik weet het niet maat. Ik vind het vreemd.”

Waar gebeurd zo iets dan? Ik moest mijn lach inhouden en beet op mijn lippen. Hij was bloedserieus, dat hoorde ik aan zijn stem en toen we elkaar zagen bij het stoplicht keek hij angstig. Bang. En hij was niet aan het toneelspelen. Het was voor het echt. Dit paste helemaal bij zijn blik die hij zoeven liet zien. Het was menens. En ik liet de gedachten varen om het te bagatelliseren.

“Op de Royale Dreef, de Slingerdreef, en de weg van Chaam naar Gilze. Daar in de bossen. Ik heb het er niets op maat. Wat moet ik er mee?” 

Goeie vraag. Wat wil je er mee?

“Vanaf zijn. Maar ik stop niet met fietsen. Het zal wel een hersenspinsel zijn. En weet je, soms voel ik het dan steken in mijn rechterzijde. Dan, als ik die dingen ervaar. Dan knal ik vol gas door.”

Toen viel een stilte. Wie er begon met praten weet ik niet meer. Het was eerder een zucht dan een woord of zin.

Share