Stickers met draadjes zijn op mijn lijf geplakt. Ik ben het gewoon geworden. Na alle onderzoeken de afgelopen maanden. Het doel overstijgt het gevoel van schroom en ik laat het over mij heen komen. De ingreep begint nu echt en het eerste wat ik moet doen is een slang inslikken die via mijn slokdarm in mijn maag terecht komt. Zo maken ze een rontgen opname. Het doel is om te controleren of er geen stolsels in mijn hart zitten. Het verrast mij want dit had ik niet verwacht. Niet onthouden of was het mij niet verteld? De eerste keer kots ik de slang terug. De tweede keer niet. Dit moet slagen en ik ben vastberaden. Slang er in. Opnames maken. Alles zit goed. Slang er uit. Ze kunnen beginnen. Ik kijk om mij heen en neem alles waar. Mijn bril gaat af. Ik geef me over.

De verdoving is in werking getreden en wijdbeens wacht ik gelaten af tot de katheters via mijn liesaders worden ingebracht. Tijdens de ingreep zal ik een een soort van roes ‘wakker’ blijven. Al naargelang de situatie wordt de roes zwaarder of lichter. Hoe het kan weet ik niet maar ik dreig van mijn stokkie te gaan. Blijkbaar ben ik nerveuzer dan verwacht. Ik adem zwaar en zoek de arts. ‘Maak je kwaad!’roept de cardioloog-elektrofysioloog. ‘Maak je kwaad Cor. Laat de adrenaline komen en zorg dat je niet wegzakt!’ 

Huh? Okay dan! Ik gehoorzaam. Dus ik maak me kwaad en het werkt. Ik ben weer klaarwakker. De adrenaline pept me op en alle gevaar is geweken. Adrenaline als remedie tegen flauw vallen. Hoe simpel kan het zijn. Die ga ik onthouden. De katheters zitten er in. De cardioloog zegt dat alles goed gaat. “Laat me weten als je ze in je hart voelt of als er iets niet helemaal lekker gaat.” Versuft en tegelijkertijd wakker wacht ik af wat er gaat komen. 

“Laat me weten als je wat voelt.” Werkelijk. Alsof we aan het klussen zijn. Dat zijn de cardioloog-elektrofysioloog eerder al. “Zie ons als de electriciens van de cardiologie. Zo zijn er ook nog loodgieters en cardiologen die complete renovaties uitvoeren. Eigenlijk is het niets anders dan klussen voor gevorderden.” “Hoezo relativeren meneer de cardioloog.” Ik voel het kriebelen in mijn hart. Vanaf de rechterboezem wordt een gaatje geprikt in de boezemwand om zo in de linkerboezem te komen. Daar liggen de uitgangen van de longaders. Daar moeten ze in zijn. Het gaat hartstikke goed.

Ik stuiter! Wel een halve meter de lucht in. “Wat is dat?” hoor ik mezelf zeggen. Zelf bevind ik mij in een staat van zijn die tussen bewusteloosheid en bewustzijn in zit. Wakker en tegelijkertijd niet aanwezig. Achteraf hoor ik dat dat de verdoving is. Het beroemde ‘roesje’. “We testen of we goed werk hebben afgeleverd en de ingreep effect heeft Cor. En het werkt! Nu gaan we verder met de andere longvenen!” “Ben ik dat ook vergeten of niet?” Ik weet het niet…in mijn hoofd wordt het weer zwaar en ik hoor ergens ver weg iemand zeggen “Geef hem nog maar wat er bij.” De keren die volgen heb ik blijkbaar goed gereageerd want het lukt. 

Nu ik er aan terugdenk voel ik het weer in mijn lijf. Mijn hart heeft in mijn beleving ook een herinnering en het is bijna eng om mijn ervaring openbaar te maken. Blijkbaar zit de schrik er nog steeds in dat het terugkomt. De tijd heelt alle wonden al vermoed ik dat de herinnering in mijn hart gebeiteld zit en niet herinnert wil worden aan de pijn. Het voelt bevrijdend om dit te delen. Eindelijk durf ik het. Trots op mijn hart waar ik zo van hou. 

Ik kom even bij als ik door een gang rijd. Achteraf blijkt dat ik toen om weg was naar de afdeling.  De wielen zoemen en ik ben versuft. Mijn liezen strak ingezwachteld met drukverband. Er is absolute rust in mijn borstkas. Geen gerammel meer. Het is stil en ik kan me niet meer herinneren wanneer ik dat voor het laatst had. Er is stilte binnenin. Tijd om opnieuw naar mijn hart te luisteren.