Zaterdagavond sta ik voor de kledingkast en twijfel wat ik aan zal trekken. De dag erna ga ik voor het eerst sinds jaren weer op een mountainbike fietsen. Op de racert is het niet zo moeilijk. Dat lukt wel. Dit is anders. Anders fietsen en bewegen, hogere intensiteit, beschut, de kou van het bos. Want koud wordt het. Het gaat die nacht licht vriezen. Na lang wikken en wegen ben ik er uit en ik hoor mezelf zeggen “Het kan nog alle kanten op. Morgenvroeg zal ik het Bonka shirt wel aantrekken. Of nie!” 

Om zeven uur gaat de wekker af, ontbijten en naar buiten. De eerste tien minuten heb ik het fris. Daarna niet meer. Goede keuze. Niet te koud en niet te warm gekleed. Ik vraag me af hoe dat straks in het bos zal zijn. Via Oosterheide naar Dorst en als ik ter hoogte van het pannenkoekenhuis ben zie ik links van mij de zon op komen. Een gouden gloed, met rood en koperkleuren omringd. Het veld geploegd. De voren in een rij. Het gras in de wei en de bermen parelt. De eiken staan tussen de zon en mij in. Ze markeren de weg en het fietspad. Hun silhouetten zijn zwart en scherp van detail alsof ze uit Oost-Indische inkt zijn gevormd. Daar waar in de verte de zon opkomt toont het bos grijs. De lucht boven het bos is licht oranje en loopt naar boven toe uit naar lichtblauwgrijs. Zacht en aaibaar. Het is stil. Niemand buiten. Op de weg naar Alphen kom ik slechts drie wandelaars met hun hond, twee hardlopers en twee auto’s tegen. Binnen is het warm. Buiten is het koud. Op de Slingerdreef nog meer silhouetten en parels. De natuur staat sterk en straalt van zelfvertrouwen. In Bavel sluiten fietsmaten aan. De zon schijnt recht in ons gezicht. Een tunnel van wit licht. Gordijnen van zonnestralen door de bomen. Het tempo zakt omdat we zo onder de indruk zijn. In Alphen treffen we de rest. We wisten toen nog niet wat ons te wachten stond. Dit was slechts een voorproefje.

Warmdraaien en een warm welkom gaan goed samen. Op alle fronten. Want al na een paar kilometer worden we stil. De bossen zijn van een ongekende schoonheid. Grote, hoge oude beuken en eiken. Half in blad. De bospaden vol gevallen blad met een enkel spoor voor ons. We draaien rechts af en voor ons torent een kathedraal achtige rij beuken op. Links en rechts verweven de kruinen zich ineen als handen waarvan de vingertoppen in elkaar schuiven. Vastbesloten om niet meer los te laten. We rijden aan de rechterkant van de rechtse rij en rechts van ons een wei. Met prikkeldraad omzoomd waar spinnenwebben als parelkettingen om heen hangen. De wei in rijp. Stilte. Alleen het geratel van kettingen en het zoemen van het rubber op het harde zand. Na dit hoogtepunt blijft het deze koude droge zondagochtend hoogtepunten regenen. De groep is zwaar onder de indruk van de schoonheid. Een tweede kathedraal laat ons binnen komen. We fietsen onder de bogen door. De kruinen tikken elkaar met de vingerpuntjes aan. Voor ons een pad met alle kleuren bruin die we kennen. Wat Ierland aan groen heeft zien we hier in het bruin. Schuin links voor ons een wei midden in het bos. De kou en het licht veranderen de normaal zo monotone wei in een kleurenexplosie van lichtpaars, oranje, aqua blauw met opaal, smaragdgroen gras zo helder en staalhard dat het bovennatuurlijk lijkt. “Hebben we aan de paddo’s gezeten voordat we startten in plaats van koffie?” De verschillen tussen het bospad met de bruine herfstkleuren en de bijna psychedelische wei links is betoverend. Ik snap ineens waarom mensen bevangen kunnen worden door de wil om dit vast te leggen. Dit wil je delen. Dit is puur geluk. Dat wij hier fietsen en overvallen worden door de schoonheid van het bos maakt de tongen los. We vinden het jammer dat we door moeten en geen foto’s kunnen maken. Daar is het te koud voor en te link met alle fietsers die achter ons aan komen.

Goud licht en het is koud onderweg naar Alphen.

Kippenvel. Niet van de kou. De laan uit en verder. Links, rechtdoor, rechts af. Daar komt de volgende verbazing. Eilanden van bomen in weien met grote droogstaande poelen, doorzichten langs eiken en beuken. Een eeuwenoude boerderij met rieten dak. Doorfietsen, de bocht volgen, langs akkers, strak geploegd en de voren die als pijlen in het land ons de weg wijzen. Het bos weer in, omlaag een kuil in duiken, klein schakelen en omhoog stampen tegen het zand op. Rechts af. Doorfietsen. Op de hoek van een glinsterende wei staat een beuk met een omtrek van wel twee meter met takken als bomen. Een deelnemer staat stil en maakt een foto. Vanaf de fiets is het al adembenemend! We spelen. Zingen, maken filmpjes, vertellen verhalen en kijken om ons heen. Draaien, keren en we wringen onze fietsen met veringen in allerlei bochten. We rollen de ochtend uit. De pauzeplaats op. Soep, thee en koek en daarna door. Mijn fluorgele moddelmonster draagt me door de bossen. Ik vlieg en zweeg door het landschap en kom los van de grond. Geen moment denk ik aan mijn blessure. Vrij van gedachten. En zo blijft het. 

Met mijn lief fiets ik naar huis en na een warme douche val ik op de bank bijna in slaap. Een gevoelige onderkant maakt me duidelijk dat de heling nog niet voorbij is. Wel de goede materialen en kleding maar het belangrijkste materiaal is er nog niet klaar voor. Rustig aan.

Ik besef me weer dat de verleiding om los van de grond te komen heel diep zit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*